Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

04-07-2011

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2011:YA1782

Zaaknummer

R 77 - 2010

Inhoudsindicatie

 

Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aan hem voorgelegde klacht op gebruikelijke wijze geïnstrueerd. Niet gebleken is dat klacht op ‘mysterieuze’ wijze is afgewezen. Functie als deken niet zodanig uitgeoefend dat hij geacht moet worden zich te hebben schuldig gemaakt aan een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.

Inhoudsindicatie

 

Uitspraak

 

R 77 – 2010 – verzet

 

Raad van Discipline

in het ressort ’s Hertogenbosch

 

 

Beslissing

 

inzake

 

het verzet tegen een voorzittersbeslissing

 

betreffende een klacht van  

 

X

klager

 

tegen

 

Y

verweerder

 

 

1. Verloop van de procedure

 

1.1       Bij brief van 15 mei 2010, door de raad ontvangen op 18 mei 2010 heeft klager tijdig verzet aangetekend tegen de beslissing van de voorzitter van de raad dd. 3 mei 2010, verzonden op 7 mei 2010.

 

1.2       Het verzet is behandeld ter openbare zitting van de raad van 16 mei 2011.

Ter zitting is verweerder verschenen. Klager is niet ter zitting verschenen.

 

 

2. De feiten

 

            De raad gaat uit van de feiten en van de omschrijving van de klacht zoals in de beslissing van de voorzitter omschreven, nu het verzet daartegen niet is gericht.  

 

 

3. De klacht

 

            De klacht luidt als volgt:

 

1. Verweerder heeft de klacht van klager tegen een advocaat in het arrondissement Maastricht op ‘mysterieuze’ wijze afgewezen.

2. Verweerder is niet ingegaan op het verzoek om de beklaagde advocaat te doen overgaan tot afgifte van het dossier.

 

4. Beslissing van de voorzitter

 

4.1       Verweerder heeft de door klager aan hem voorgelegde klacht op gebruikelijke wijze geïnstrueerd, door partijen te vragen hun standpunten schriftelijk weer te geven en vervolgens zijn advies als deken over de zaak te geven. Verweerder heeft op verzoek van klager de klachtzaak doorgestuurd naar de raad van discipline voor verdere behandeling. Verweerder heeft aldus naar behoren gehandeld. Niet gebleken is dat verweerder de klacht op ‘mysterieuze’ wijze heeft afgewezen. Verweerder heeft de standpunten van partijen tegen elkaar afgewogen, waarna hij zijn gemotiveerd advies heeft gegeven. Dat klager het niet eens was met de conclusie van verweerder, maakt dit niet anders.

 

4.2.      Niet gebleken is dat verweerder in zijn functie van deken zijn taak zodanig heeft verwaarloosd of zich in die hoedanigheid zodanig heeft misdragen dat hij geacht moet worden zich te hebben schuldig gemaakt aan een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.

 

4.3.      De voorzitter heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen.

 

 

5. Het verzet

 

            In zijn verzet voert klager samengevat het volgende aan:

De voorzitter heeft geen onderzoek gedaan naar de inhoud van de klacht aan de hand van de vaststaande bewijzen, zoals klager bij brief van 10 oktober 2009 had ingediend en onderbouwd.

 

 

6. Beoordeling van het verzet

 

6.1.      De voorzitter heeft bij de behandeling van de klacht tegen verweerder terecht overwogen dat hierbij slechts ter beoordeling de vraag voorligt of verweerder zich in diens hoedanigheid van deken bij de uitoefening van zijn taak tijdens het onderzoek naar de door klager bij hem ingediende klacht, zodanig heeft gedragen dan wel misdragen dat hierdoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. De voorzitter heeft onder 5.2. van de beslissing overwogen dat verweerder de klacht van klager geheel volgens de gebruikelijke procedure heeft afgewikkeld en kwam tot de conclusie dat verweerder zich bij de uitoefening van diens taak als deken niet zodanig heeft gedragen dan wel misdragen dat het vertrouwen in de advocatuur daardoor is geschaad.

 

6.2.       De raad komt bij de beoordeling in verzet niet tot de vaststelling van andere feiten  danwel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de voorzitter, waarmee de raad zich verenigt. Mitsdien zal het verzet als ongegrond worden afgewezen.

 

 

 

 

 

7. Beslissing

 

 

De raad wijst het verzet als ongegrond af.

 

 

Aldus gegeven door mr. M.I.J. Hegeman, voorzitter, en mrs. P.J.W.M. Theunissen, P.A.M. van Hoef, R.G.A.M. Theunissen en L.R.G.M. Spronken, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Huysmans-van Opstal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2011.

 

 

griffier                                                 voorzitter

 

 

 

 

 

Verzonden op: 5 juli 2011

 

 

 

 

Ingevolge het bepaalde in artikel 46h lid 4 Advocatenwet kan tegen deze beslissing geen hoger beroep worden ingesteld.