Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

18-10-2010

ECLI

ECLI:NL:TADRARN:2010:YA1268

Zaaknummer

10-63

Inhoudsindicatie

Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door klager Y rechtstreeks te sommeren, zonder daarvan een afschrift aan klager X te sturen. Verweerder had moeten  onderzoeken of X, advocaat van Y hem in de civiele procedure, als sequeel van de strafprocedure, eveneens bij zou staan. Geen tuchtrechtelijk verwijt van het niet rechtstreeks op de hoogte stellen van Y van een verzoek ex art 577 b Sv. Betekening aan klagers Y privé adres ondanks woonplaatskeuze niet klachtwaardig.

Uitspraak

10-63

BESLISSING VAN DE RAAD VAN DISCIPLINE IN HET RECHTSGEBIED VAN HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Bij brief van 4 mei 2010 heeft mr. J. van der Hel, lid van de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement Almelo, ter kennis gebracht van de Raad van Discipline de klacht van:

mr.[X ],

advocaat te [ ]t en

[Y],

wonende te[ ],

hierna te noemen “klagers”

tegen:

mr.[ ],

advocaat te[ ],

hierna te noemen “verweerder”.

 

1. De klacht is behandeld ter openbare zitting van de Raad van Discipline van 6 september 2010. De raad heeft bij behandeling van de klacht zitting gehouden in de volgende samenstelling: mr. D. Vergunst, voorzitter en mrs. E. Bige, C.J. Lunenberg-Demenint, F. Klemann en J.R.O. Dantuma, leden van de raad en is bijgestaan door mr. P.J.G. van den Boom als griffier. Ter zitting zijn klagers en verweerder verschenen.

2. De klacht betreft het optreden van verweerder als advocaat van de A. Stichting, waarvan Y als bestuurder is opgetreden. Y is in verband met verduistering van gelden van voornoemde stichting veroordeeld. Verweerder heeft Y in een civiele procedure aangesproken tot terugbetaling van hetgeen hij ten onrechte aan de stichting heeft onttrokken. Klagers zijn van mening dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door:

a. op 6 november 2009 rechtstreeks een brief aan  Y toe te sturen, wetende dat X 

optrad voor Y;

b. aan Y belangrijke informatie te onthouden, door niet te vermelden dat bij 

het Gerechtshof een verzoekschrift in de zin van 577b Sv. was ingediend;

c. Y te sommeren voor de terugbetaling van het totale bedrag, terwijl 

verweerder op dat moment al een verzoekschrift ex art 577b Sv, tot teruggave van het wederrechtelijk onttrokken voordeel had ingediend.

3. Verweerder heeft als volgt verweer gevoerd. Op 6 november 2009 heeft hij een sommatiebrief verstuurd aan Y. Verweerder was het wel bekend dat X voor Y optrad in een strafrechtelijke procedure. Hij was echter niet bekend met het feit dat X Y eveneens in een civielrechtelijke procedure zou bijstaan. Verweerder heeft zijn verontschuldigingen aangeboden aan X. Verweerder is voorts van mening dat hij niet hoefde te onderzoeken of Y instemde met het verzoek ex artikel 577b Sv. Het verzoek is rechtstreeks bij het Gerechtshof te Arnhem ingediend en kent als wederpartij de Staat der Nederlanden. Het Gerechtshof in Arnhem heeft pas op 19 januari 2010 het verzoek ex artikel 577b Sv. toegewezen. Dat stond vooraf niet vast. De sommatie die op 6 november 2009 aan Y is verstuurd, betreft derhalve het gehele bedrag. In de civiele procedure heeft verweerder voorts zijn eis verminderd, gelet op de toewijzing van het verzoek.

4. Bij de beoordeling van de klachtonderdelen, gaat de raad uit van de volgende gegevens. Y is bij arrest van 23 juli 2008 door het Gerechtshof te Arnhem veroordeeld wegens het medeplegen van verduistering van gelden van de A. Stichting, de cliënte van verweerder. Bij beschikking van 23 juli 2008 is Y veroordeeld tot betaling van het wederrechtelijk genoten voordeel ten bedrage van € 47.647,--. Y heeft aan de veroordeling voldaan.

De verduistering heeft er uit bestaan dat de drie voormalige bestuursleden aanzienlijke schenkingen van de stichting hebben ontvangen. Over de schenkingen zijn successierechten betaald.

Op 2 juli 2009 heeft verweerder namens de stichting een verzoek tot restitutie van het wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 577b Sv. ingediend bij het Gerechtshof te Arnhem. Dit verzoek is behandeld ter zitting van 8 december 2009 en toegekend bij beschikking van 19 januari 2010.

Bij brief van 6 november 2009, heeft verweerder zich rechtstreeks gewend tot Y, en hem daarbij gesommeerd de schenkingen, vermeerderd met het successierecht en de wettelijke rente te voldoen. Verweerder heeft Y medegedeeld hem hoofdelijk aansprakelijk te houden voor de gehele schade die door verweerder is begroot op ruim € 438.000,-- + rente p.m. Verweerder heeft geen afschrift van deze brief aan X gestuurd.

Verweerder wist dat X in de strafprocedure voor Y is opgetreden.

Bij brief van 10 december 2009 heeft verweerder aan X een nadere onderbouwing van de vordering toegestuurd en Y gesommeerd uiterlijk 18 december 2009 te betalen, bij gebreke waarvan een dagvaarding zou worden uitgebracht. In deze brief heeft verweerder verzocht of de dagvaarding aan het kantooradres van X kon worden betekend. X heeft bij brief van 31 december 2009 medegedeeld dat de dagvaarding aan zijn kantooradres kon worden betekend. Deze brief is door verweerder op 4 januari 2010 ontvangen. Op dat moment had verweerder al opdracht aan de deurwaarder tot betekening van de dagvaarding verstrekt. Verweerder heeft telefonisch navraag gedaan bij de deurwaarder, die hem mededeelde dat de dagvaarding op dat moment al was betekend. Achteraf blijkt dat de dagvaarding aan de medebestuursleden was betekend, maar nog niet aan Y. Verweerder heeft in de dagvaarding opgenomen dat bij toewijzing van het verzoek ex artikel 577b Sv. de vordering dienovereenkomstig in de procedure zou worden verminderd.

5. De raad beoordeeld de diverse klachtonderdelen als volgt.

Klachtonderdeel a.

De sommatie d.d. 6 november 2009 betreft de vordering van de stichting, die voortvloeide uit het handelen van Y als bestuurder van deze stichting, en waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld. In de strafprocedure heeft X Y bijgestaan. De strafprocedure is in juli 2008 geëindigd. Er ligt derhalve een periode van een jaar en vier maanden tussen het einde van de strafprocedure en de sommatie die op 6 november 2009 rechtstreeks aan Y is verstuurd.

De civiele vervolgprocedure hangt zozeer samen met de strafzaak, dat het op de weg van verweerder had gelegen te informeren of X nog als raadsman van Y kon worden beschouwd. Een tijdsverloop van een jaar en vier maanden maakt dit niet anders. Het stond verweerder overigens vrij om de sommatie rechtstreeks aan Y toe te zenden, maar hij had een afschrift aan X moeten toezenden. Door dit na te laten heeft hij gehandeld in strijd met gedragsregel 18 lid 2, hetgeen verweerder tuchtrechtelijk kan worden verweten. Verweerder was ermee bekend dat X Y in de strafprocedure heeft bijgestaan. De strafzaak en de civiele zaak zijn onderling zó samenhangend, dat het op de weg van verweerder had gelegen te informeren of X Y ook in de civiele procedure bij zou staan. .Het tijdsverloop van één jaar en vier maanden waarop verweerder zich heeft beroepen, maakt dit niet anders. Klager stond het overigens wel vrij om rechtstreeks een sommatie aan Y toe te zenden, maar hij had hiervan een afschrift toe moeten sturen aan X. Door dit na te laten heeft hij gehandeld in strijd met gedragsregel 18 lid 2, hetgeen verweerder tuchtrechtelijk kan worden verweten. Klachtonderdeel a. is in zoverre dan ook gegrond.

Klachtonderdeel b.

Verweerder heeft op 2 juli 2009 een verzoek ex artikel 577b Sv. ingediend, tot uitkering van het inmiddels door de Staat ontnomen wederrechtelijk verkregen voordeel. Alhoewel het elegant zou zijn geweest indien verweerder X en dus Y hier rechtstreeks van op de hoogte had gesteld, was verweerder hiertoe niet gehouden. De procedure richt zich immers tegen de Staat. De bepalingen van het Wetboek van Strafvordering brengen overigens met zich mee dat Y als belanghebbende in de procedure wordt opgeroepen, zodat hij zich heeft kunnen verweren.

Verweerder treft geen tuchtrechtelijk verwijt van het niet-rechtstreeks informeren van het ingediende verzoekschrift. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

Klachtonderdeel c.

De sommatie van 6 november 2009 betrof de schade van de stichting, waarin was opgenomen het bedrag waarvoor het verzoekschrift ex artikel 577b Sv. door verweerder aanhangig was gemaakt. Verweerder treft geen tuchtrechtelijk verwijt dat hij de vordering niet van aanvang af heeft verminderd met het bedrag waarvoor hij het verzoek ex art 577b Sv heeft ingediend. Op het moment van het uitbrengen van de sommatie en de dagvaarding stond nog niet vast of het verzoek ex artikel 577b Sv. zou worden toegewezen. Verweerder heeft bovendien de eis, naar aanleiding van de toewijzing van het verzoek in de procedure verminderd, zoals ook in de dagvaarding aangekondigd, zodat verweerder ook op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt treft.

6. Bij een gegrondverklaring van een klacht hoort in principe het opleggen van een maatregel, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan daarvan kan worden afgezien. De raad is van mening dat de geringe ernst van de overtreding in relatie tot de wijze waarop klagers hebben gereageerd en de excuses die verweerder, op dat moment nog stagiaire, op enig moment heeft aangeboden, met zich brengen dat van het opleggen van een maatregel in de onderhavige klachtzaak kan worden afgezien.

De beslissing van de raad luidt als volgt:

Klachtonderdeel a. is, voor zover hierboven overwogen, gegrond; klachtonderdelen b. en c. zijn ongegrond. Aan verweerder wordt geen maatregel opgelegd. 

Aldus beslist door de raad in de hiervoor vermelde samenstelling  en uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2010.

Voorzitter     Griffier