Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

14-09-2010

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2010:YA1039

Zaaknummer

10-089A

Inhoudsindicatie

 klacht van een advocaat tegen een medeadvocaat. Partijen hebben jarenlang op een kantoor samengewerkt in een grote zaak voor een grote cliënt. De samenwerking is voortgezet nadat het kantoor ophield te bestaan en beide advocaten bij een ander kantoor werkzaam waren. Op enig moment maakte verweerder zich zorgen over de wijze waarop klager aan de cliënt declareerde en de zaak behandelde. Verweerder heeft zijn zorgen rechtstreeks aan de cliënt van klager geuit, met als gevolg dat klager zijn cliënt, voor wie hij al ruim negen jaar werkzaam was, kwijtraakte. De cliënt is overgestapt naar verweerder. In een begrotingsprocedure over de declaraties van klager heeft verweerder namens de cliënt opgetreden. De raad acht zowel het handelen waardoor klager zijn cliënt is kwijtgeraakt als het optreden in de begrotingsprocedure tuchtrechtelijk verwijtbaar en legt de maatregel van berisping op.

Uitspraak

 

RAAD VAN DISCIPLINE

in het ressort Amsterdam

BESLISSING d.d. 14 september 2010

in de zaak 10-089A

_________________________

 

De raad heeft het volgende overwogen en beslist naar aanleiding van de klacht van:

De heer mr.

k l a g e r

tegen

De heer mr.

v e r w e e r d e r

1. Verloop van de procedure

1.1. Bij brief van 11 maart 2010, door de raad ontvangen op 12 maart 2010, heeft de (plaatsvervangend) deken van de orde van advocaten in het arrondissement Amsterdam de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.2. De klacht is behandeld ter zitting van 13 juli 2010. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Zowel klager als verweerder zijn verschenen, waarbij klager is bijgestaan door zijn advocaat mr. D. Griffiths.

1.3. De raad heeft kennisgenomen van:

de in paragraaf 1.1 genoemde brief van de deken aan de raad, en van de stukken genummerd 1 t/m 8, genoemd op de bij die brief gevoegde inventarislijst. Daarnaast heeft de raad kennis genomen van de brief van 28 juni 2010 van klagers advocaat met als bijlage de brief van 15 december 2008 van klager met zes producties. Ten slotte is de brief van 5 juli 2010 van verweerder met als bijlage een e-mail van 4 augustus 2005 aan het dossier toegevoegd.

2. Klacht

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder de norm neergelegd in artikel 46 Advocatenwet heeft geschonden en heeft gehandeld op een wijze die een behoorlijk advocaat niet betaamt, door:

1. ten eigen voordele, zonder medeweten en toestemming van klager contact te hebben gezocht met de cliënt van klager en aan deze cliënt onjuiste en negatieve mededelingen te hebben gedaan over klager en zijn werkzaamheden, in de wetenschap dat deze mededelingen schadelijk waren voor de relatie tussen klager en zijn cliënt;

2. inning door klager van zijn openstaande declaraties onmogelijk te maken onder andere door als raadsman van de voormalig cliënt van klager op te treden in een declaratiegeschil dat is ontstaan na bemoeienis van verweerder.

3. Feiten

Voor de beoordeling van de klacht kan, gelet op de stukken en op hetgeen ter zitting is verklaard, van het volgende worden uitgegaan:

3.1 Tot augustus 2005 waren klager en verweerder samen werkzaam op advocatenkantoor X in Amsterdam. Klager was compagnon van het kantoor en verweerder was in loondienst. Verweerder was de medewerker van klager en werkte derhalve nauw met klager samen in zaken van de cliënten van klager. De grootste cliënt van klager was het bedrijf ‘Z’. Klager stond deze cliënt vanaf april 1997 als advocaat bij in, onder andere, een omvangrijke bouwarbitragezaak.

3.2 Toen bekend werd dat de maatschap van advocatenkantoor X in het najaar van 2005 zou worden ontbonden, heeft verweerder zijn arbeidsovereenkomst met advocatenkantoor X opgezegd en is hij als partner/zelfstandig ondernemer aan de slag gegaan bij een ander kantoor.

3.3 Klager zou per 1 januari 2006 bij een ander kantoor, advocatenkantoor “Y”, gaan werken. Klager beschikte in het najaar van 2005 nog niet over een team en een kantoororganisatie. Vanwege het feit dat verweerder (de zaken van) cliënt Z goed kende, besloten klager en verweerder in goed overleg om samen aan de zaken voor de cliënt te blijven werken. Verweerder zou zijn werkzaamheden voor cliënt Z declareren aan klager, die deze in zijn declaratie aan cliënt Z zou opnemen. Bij gezamenlijk emailbericht van klager en verweerder aan bedrijf Z van 4 augustus 2005 is dit aan de cliënt meegedeeld.

3.4 In januari 2006 heeft verweerder een informele lunchbespreking gehad met zijn voormalig secretaresse, de secretaresse van klager. Tijdens die bespreking heeft hij van de secretaresse gehoord dat de dozen met dossiers van cliënt Z sinds de verhuizing naar advocatenkantoor Y ongeopend in de gang van het kantoor van klager stonden.

3.5 In de bouwarbitragezaak die partijen voor cliënt Z behandelden, stond in februari 2006 een zitting gepland. Klager is naar eigen zeggen in verband met een uitgebreide tegenvordering van de wederpartij vanaf 6 oktober 2005 voorbereidende werkzaamheden gaan treffen voor deze zitting. In februari 2006 heeft een bespreking op kantoor van klager plaatsgevonden, in aanwezigheid van verweerder en afgevaardigden van cliënt Z. Verweerder kreeg rondom deze bespreking het idee dat hij niet meer volledig op de hoogte was van de zaken van bedrijf Z Hij heeft in verband daarmee op 15 en 28 februari 2006 (pagina 76 en 77 klachtdossier) een e-mailbericht aan klager verzonden. Klager heeft hierop niet gereageerd.

3.6 In maart 2006 heeft verweerder contact opgenomen met cliënt Z zonder medeweten van verweerder. Hij heeft dat eerst telefonisch gedaan en daarbij zijn zorgen kenbaar gemaakt over het handelen van klager. Na het telefonisch contact met bedrijf Z heeft verweerder zonder medeweten van klager een bezoek gebracht aan bedrijf Z in Londen. Na dat bezoek heeft bedrijf Z bij brief van 21 maart 2006 vragen gesteld aan klager over de hoogte van zijn declaraties en ook over een aantal inhoudelijke zaken. Op 23 maart 2006 heeft verweerder een e-mail met de volgende inhoud (geanonimiseerd door raad) gestuurd aan klager met kopie aan de cliënt: 

“Dear [klager],

It is with reluctance and regret that I have to inform you as follows.

I am increasingly concerned about the way the matter [case 1] is handled by you during the last months. I cannot agree with this, as it is not in the interests of the client.

My concerns, amongst others, regard the consecutive postponements of the oral pleadings, starting with cancellation because of the dissolution of [kantoor X] and followed by non-availability for a hearing during the two and a half months that covered your holiday from beginning. December to January, and the last cancellation and postponement. All of this has resulted in a delay from September 2005 to September 2006, which is not in the benefit of the client and, as far as I am aware, not what the client wants.

More particularly, the way in which you agreed during the break in our meeting with the client on 23 February with the other party and the Arbitration Board raises questions with me, as I wrote to you on 28 February. The fax confirmation by the Secretary of the Arbitration Board of 23 February does not represent what we discusses with the client just before and the English translation of the fax of the Arbitration Board which you sent to the client shows differences with the original fax in Dutch on this point.

Moreover, I am puzzled about two invoices from you of December 2005 which you mentioned during your visit to my office in January. Amount and date of these invoices raise questions as to the necessity of the work.

Finally, I am of opinion that lack of co-operation/consultation between the two of us is not beneficial for the case of the client.

I have therefore infirmed the client of these concerns and let him know that I consider this as against his interests and that I cannot continue to work with you on the concern basis. After this I was asked to discuss this in a meeting in London and in a second meeting this week.

Based on the above I consider to stop working on the [case 1] and the [case 2].

Copy of this message is sent to the client.

Best regards, [verweerder]”

3.7 Klager heeft na ontvangst van deze mail tevergeefs geprobeerd telefonisch contact te krijgen met zijn contactpersoon bij bedrijf Z, de voorzitter van de raad van bestuur.  Bij brief van  28 juni 2006 heeft Z aan klager kenbaar gemaakt klager niet langer als advocaat te willen en verder te gaan met verweerder als advocaat. Daarna heeft verweerder de zaken als advocaat  van Z behandeld.

3.8 Nadat Z begin 2007 een declaratie van advocatenkantoor Y onbetaald liet, heeft verweerder een klacht ingediend tegen de voorzitter van de maatschap van dat kantoor, “V”. Blijkens stellingen van verweerder waren er door voorzitter V oncollegiale woorden geuit. De klacht is uitgemond in een schikking tussen verweerder en voorzitter V over het tuchtrechtelijke gedeelte van de klacht. Onderdeel van die schikking was dat verweerder en voorzitter V over en weer geen klachten meer tegen elkaar zouden indienen. Dit is vastgelegd in de brief van de toenmalige deken van 3 april 2007. Partijen zijn het erover eens dat dit niet betreft de relatie tussen klager en verweerder. Na de brief van de deken van 3 april 2007 is een begrotingsprocedure gevolgd bij de raad van toezicht over de door  bedrijf Z betwiste declaraties. Aangezien advocatenkantoor Y de openstaande declaraties van klager had overgenomen, trad voorzitter V van het advocatenkantoor in deze procedure op. De begrotingsprocedure is uitgemond in een schikking.

4. Beoordeling van de klacht

4.1 Het eerste klachtonderdeel betreft het verwijt aan verweerder dat hij zonder medeweten van klager contact heeft opgenomen met bedrijf Z en zich daarbij negatief over de wijze van behandeling van de zaak door klager en de daarvoor in rekening gebrachte bedragen  heeft uitgelaten met als gevolg dat bedrijf Z de relatie met klager heeft beëindigd en haar zaken door verweerder heeft laten behandelen. Op grond van de stukken in het dossier en het ter zitting verklaarde, is komen vast te staan dat de samenwerking tussen klager en verweerder in elk geval tot het moment waarop verweerder advocatenkantoor X verliet goed te noemen was. Vanuit die relatie hebben partijen besloten om, ieder vanuit hun eigen kantoor, de samenwerking voort te zetten. De raad laat in het midden hoe de relatie tussen klager en verweerder na 1 augustus 2005 juridisch gekwalificeerd moet worden, nu dat niet van doorslaggevende betekenis is voor de beoordeling van verweerders handelen. Verder is komen vast te staan dat klager niet op alle brieven en/of e-mails van verweerder heeft gereageerd in de periode dat partijen allebei vanaf een ander adres de belangen van cliënt Z behartigden. Verweerder heeft aangevoerd dat hij meer en meer het idee kreeg dat hij niet meer volledig op de hoogte was. Hoewel de raad begrip heeft voor de teleurstelling hierover bij verweerder, heeft verweerder volgens de raad een inschattingsfout gemaakt door een en ander niet met klager te bespreken maar door zijn zorgen direct met de cliënt van klager te delen.

4.2 Verweerder had zich moeten realiseren dat zijn uitlatingen (als collega van klager en mede-advocaat van Z) over (de werkwijze van) klager de relatie die klager al jarenlang met Z had, zouden beschadigen en dat deze wellicht zouden kunnen leiden tot het einde van de advocaat-cliënt relatie tussen klager en bedrijf Z. Dat dit laatste zich ook heeft verwezenlijkt blijkt uit de hiervoor genoemde brief van Z aan klager van 28 juni 2006. De raad acht het onjuist dat verweerder er niet voor heeft gekozen om zijn zorgen onomwonden voor te leggen aan klager en hierover met hem in gesprek te gaan. De stelling van verweerder dat hij heeft geprobeerd contact op te nemen met klager over zijn zorgen en dat hij hem hierover ook heeft aangeschreven, overtuigen de raad niet. Uit de brieven waar verweerder in dit kader naar verwijst, de brieven van 15 en 28 februari 2006 aan klager, komen de later door verweerder aan Z geuite zorgen geenszins naar voren. In deze brieven vraagt verweerder slechts op de hoogte gehouden te worden, maar hij maakt op geen enkele wijze zijn zorgen kenbaar over de wijze waarop klager – in zijn visie – het belang van bedrijf Z zou schaden. Het betaamt een advocaat niet om op deze wijze met de belangen van een oud-kantoorgenoot, mede-advocaat om te springen. Door de handelwijze van verweerder is klager zijn cliënt, voor wie hij al negen jaar omvangrijke zaken  behandelde, kwijtgeraakt. Het gedrag van verweerder is dan ook tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het optreden van verweerder acht de raad des te meer laakbaar nu verweerder nadien advocaat van bedrijf Z is geworden en de behandeling van de zaken die klager voorheen behandelde heeft overgenomen. Het eerste klachtonderdeel is derhalve gegrond.

4.3 Het tweede klachtonderdeel betreft het optreden van verweerder in de begrotingsprocedure die hij namens cliënt Z was begonnen tegen advocatenkantoor Y, dat de vordering van klager op bedrijf Z had overgenomen. De raad is van oordeel dat verweerder had moeten inzien dat hij de laatste was die deze zaak voor bedrijf Z mocht behartigen. Optreden tegen een oud-kantoorgenoot is onder omstandigheden mogelijk, maar in deze specifieke omstandigheden waarbij klager en verweerder samen hebben gewerkt aan de zaken van bedrijf Z past dit niet. Bovendien heeft verweerder zich kennelijk niet gerealiseerd dat in deze begrotingsprocedure deels ook zijn eigen declaraties, die immers onderdeel waren van de declaraties die klager aan bedrijf Z stuurde, betrokken waren. Ook dit klachtonderdeel acht de raad derhalve gegrond.

 

 

 

5. Maatregel

Bij het opleggen van de maatregel heeft de raad enerzijds rekening gehouden met de omstandigheid dat dit de eerste keer is dat een klacht  tegen verweerder door de raad wordt behandeld en aan de andere kant met de ernst van de door verweerder gepleegde gedragingen. De raad acht de maatregel van berisping passend en geboden.

BESLISSING:

de raad van discipline:

• verklaart klachtonderdelen 1 en 2 gegrond;

• legt aan verweerder op de maatregel van berisping.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare zitting van 14 september 2010 door mrs. D.J. Markx, voorzitter, mrs. S.M. Gaasbeek-Wielinga, A. Gerritsen-Bosselaar, J.J. Trap. M. Pannevis, leden, met bijstand van mr. S. Le Noble als griffier.

 

Voorzitter       Griffier

 

Deze beslissing is in afschrift op 14 september 2010 per aangetekende brief verzonden aan:

• klager

• verweerder

• de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Amsterdam

• de deken van de Nederlandse orde van advocaten.

Van deze beslissing kan hoger beroep bij het hof van discipline worden ingesteld door

• verweerder

• de deken van de Nederlandse orde van advocaten

Het hoger beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien. Het beroepschrift moet in zevenvoud worden ingediend tezamen met zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het hof van discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.

 

De appelmemorie kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het hof van discipline:

a. Per post

Het postadres van de griffie van het hof van discipline is: Postbus 132, 4840 AC Prinsenbeek.

b. Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres Markt 44, 4841 AC Prinsenbeek.

Bezorging kan uitsluitend plaatsvinden op de gebruikelijke werkdagen tijdens de gebruikelijke kantooruren.

c. Per fax

Het faxnummer van het hof van discipline is 076 -548 4608. Tegelijkertijd met de indiening per fax dienen de originele stukken per post te worden toegezonden aan de griffie van het hof in het vereiste aantal.

d. Telefonische informatie

 076-548 4607.