Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

02-12-2010

ECLI

ECLI:NL:TADRARN:2010:YA1239

Zaaknummer

10-161

Inhoudsindicatie

Klager verwijt verweerster in strijd met een prijsafspraak en excessief te hebben gedeclareerd en klager onvoldoende te hebben geïnformeerd over kosten van rechtsbijstand. Voorts verwijt klager verweerster dat zij onvoldoende deskundig rechtsbijstand heeft verleend en te traag heeft geprocedeerd. Klacht is kennelijk ongegrond.

Uitspraak

10-161

BESLISSING VAN DE VOORZITTER VAN DE RAAD VAN DISCIPLINE IN HET RECHTSGEBIED VAN HET GERECHTSHOF ARNHEM

Inzake:

klager

wonende te [woonplaats]

tegen:

verweerster

destijds advocaat te [plaats]

1.

Klager heeft bij brief van 28 september 2009 bij mr. R.J.A. Dil, deken van de Orde van advocaten in het arrondissement Arnhem, een klacht tegen verweerster ingediend. De klacht is door de deken onderzocht en na afronding van zijn onderzoek heeft de deken de klacht met de bijgevoegde stukken bij brief d.d. 2 november 2010 ter kennis van de raad gebracht. De stukken zijn op 3 november 2010 door de raad ontvangen.

2.

De klacht luidt als volgt.

Verweerster heeft zich niet gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt door:

a.

bovenmatig te declareren vooral ook gezien het belang van de zaak en in strijd met de gemaakte afspraken daarover,

b.

op verzoek van het kantoor de zaak aan mr. C over te dragen,

c.

klager onvoldoende te informeren over de financiële gevolgen van de opdracht. Eerst zeven maanden na het verstrijken van de opdracht werd klager geïnformeerd over het toepasselijke uurtarief middels declaraties, die toen werden verzonden,

d.

te beschikken over onvoldoende deskundigheid om klager naar behoren bij te staan,

e.

een lange periode te laten verstrijken zonder te procederen,

f.

zolang stil te zitten, dat klager een andere advocaat moest raadplegen met alle financiële gevolgen van dien.

3.

De voorzitter is van oordeel dat op deze klacht bij voorzittersbeslissing dient te worden beslist.

4.

De voorzitter gaat uit van de volgende gegevens.

4.1

De klacht betreft het optreden van de verweerster in 2008 als advocaat van klager met betrekking tot het terugvorderen van een werkloosheidsuitkering door het UWV. De zaak is door verweerster in behandeling genomen. Op 29 september 2008 heeft tussen verweerster en klager een eerste telefonisch contact over de zaak plaatsgevonden. Daarna zijn op 30 september 2008 en 6 oktober 2008 telefoongesprekken gevolgd.

Verweerster heeft onmiddellijk een pro forma bezwaarschrift ingediend om de termijn voor het instellen van bezwaar veilig te stellen. Ook heeft zij het UWV gevraagd om opschorting en een betalingsregeling. Dat laatste verzoek is toegewezen.

Bij brief van 17 december 2008 heeft verweerster klager geadviseerd over de goede en kwade kansen in een eventuele bezwaarprocedure. Verweerster heeft geconcludeerd, dat er "een geringe kans bestaat om het besluit van het UVV succesvol aan te vechten in bezwaar en eventueel (hoger) beroep”.

Nadat in de zaak nadere stukken waren ontvangen heeft verweerster samen met mr. C, een toenmalige kantoorgenote, op 6 januari 2009 telefonisch contact met klager opgenomen en hem meegedeeld, dat de nieuwe documenten de negatieve inschatting van de kansen in de zaak alleen maar versterkten. In dit gesprek werd voorts geadviseerd om het besluit om door te procederen nog eens te heroverwegen. Dit advies is in een e-mail van 7 januari 2009 door verweerster aan klager bevestigd.  Klager heeft daarop te kennen gegeven de bezwaarprocedure toch te willen doorzetten. Op 13 januari 2009 heeft mr. C aan klager bericht, dat verweerster haar had gevraagd de zaak en het commentaar van klager te bestuderen vanwege haar vertrek bij het kantoor. Een concept bezwaarschrift werd bijgevoegd. Vervolgens heeft mr. C de zaak verder behandeld.

Verweerster heeft inmiddels de advocatuur verlaten.

4.2

Bij de stukken bevindt zich:

a.

een e-mail van verweerster van 10 oktober 2008 aan klager, waarin wordt bevestigd dat het uurtarief  € 145,- bedraagt, te verhogen met 6 % kantoorkosten en 19 % BTW,

b.

een brief van klager aan de deken van 28 december 2009, waarin onder meer is opgenomen:

“ Men (bedoeld wordt verweerster en mr. C) kan/wil de klus klaren voor hooguit

€ 3500,-.”

c.

een e-mail van de heer D van 12 februari 2010 aan de deken met de volgende inhoud:

“ Vanaf het begin hebben wij…….. (klager) begeleid in zijn procedure tegen het UWV en daarvoor in het re- integratie traject. Wij hebben ……… (klager) geadviseerd om contact op te nemen met het advocaten kantoor E  omdat het een goede relatie van ……. (de onderneming van de heer D) was en is.

Ik ben echter van mening dat er is afgesproken dat de kosten voor ….. (klager) niet hoger zouden worden dan € 500,- tot € 700,-. Na het vertrek van de advocaat die met de zaak bezig was kwamen er veel rekeningen.”

4.3

Aan klager zijn drie nota's verzonden met urenspecificaties, gedateerd 12 februari 2009, 10 maart 2009 en 9 april 2009. Blijkens de specificatie bij de declaratie van 12 februari 2009 zijn 13 uren in rekening gebracht en 3 uren afgeboekt. Blijkens de specificatie bij de declaratie van 10 maart 2009 zijn 9,5 uren in rekening gebracht en 0,4 uren afgeboekt. Bij de declaratie van 9 april 2009 zijn 0,2 uren in rekening gebracht.

5.

Tot haar verweer heeft verweerster het volgende naar voren gebracht.

Verweerster heeft klager tijdig bevestigd wat het toepasselijke uurtarief zou zijn. Er is gematigd gedeclareerd in overeenstemming met het belang van de zaak en de noodzakelijk te verrichten werkzaamheden. Er is in de periode dat verweerster de zaak behandelde, te weten 1 september 2008 tot en met 31 december 2008, niet bovenmatig gedeclareerd of in strijd met de gemaakte afspraken. Er is geen vast bedrag afgesproken. Verweerster ontkent, dat met de heer D is afgesproken, dat de kosten van klager niet hoger zouden worden dan

€ 500,- tot € 700,-. In eerdere correspondentie heeft klager bovendien aangegeven, dat voor wat betreft de in rekening te brengen kosten een bovengrens van € 3.500,- (dus een ander bedrag) zou zijn afgesproken. Verweerster ontkent ook, dat laatst genoemde prijsafspraak is gemaakt. Het kostenaspect was, aldus verweerster, juist een reden om meerdere malen aan klager te adviseren de kwestie te laten rusten. Het dossier van klager is door verweerster overgedragen  vanwege haar vertrek uit de advocatuur en om de continuïteit van de rechtshulp te waarborgen. Mr. C heeft dezelfde condities gehanteerd en er zijn klager geen extra kosten in rekening gebracht voor de overdracht van het dossier.

Het dossier is door verweerster voldoende voortvarend en met voldoende deskundigheid behandeld. Klager is deugdelijk geadviseerd. Met betrekking tot het verwijt, dat er vele maanden voorbij zijn gegaan zonder dat enig proces in werking is gezet merkt verweerster op, dat de bezwaartermijn door het indienen van het pro forma bezwaarschrift was veiliggesteld. Dat er pas geprocedeerd kon worden nadat er een bezwaarschrift was ingediend kan verweerster niet worden verweten, omdat het bestuursprocesrecht dat nu eenmaal vereist.

De werkzaamheden van verweerster zijn op 13 januari 2009 geëindigd. Verweerster is niet duidelijk, waarom klager tussentijds een andere advocaat zou hebben moeten raadplegen.

6.

De voorzitter beoordeelt de klacht als volgt.

Ten aanzien van klachtonderdeel a.

Niet is komen vast te staan, dat over de kosten van verweerster en mr. C een prijsafspraak is gemaakt. Bij e-mail van 10 oktober 2008 heeft verweerster het te hanteren uurtarief aan klager bevestigd en klager spreekt in een e-mail van 28 december 2009 over een maximaal in rekening te brengen bedrag van € 3.500,-, zijnde een aanzienlijk hoger dan het door de heer D genoemde bedrag. Tegen de achtergrond van deze feiten is de e-mail van de heer D van onvoldoende gewicht om tot een andere oordeel te komen. Ook is door klager niet aannemelijk gemaakt, dat er bovenmatig is gedeclareerd. Klachtonderdeel a is derhalve kennelijk ongegrond.

Ten aanzien van klachtonderdeel b.

De overdracht van de zaak vond plaats op grond van het vertrek van verweerster van het kantoor. Van haar vertrek kan verweerster in tuchtrechtelijke zin onmogelijk een verwijt worden gemaakt. Het had klager vrij gestaan om een andere advocaat te zoeken, indien hij bezwaar had gehad tegen overname van de zaak door mr. C.

Klachtonderdeel b. is derhalve kennelijk ongegrond.

Ten aanzien van klachtonderdeel c.

De stelling van klager, dat hij te laat over het uurtarief is geïnformeerd is feitelijk onjuist.

De zaak is eind september 2008 door verweerster in behandeling genomen en begin oktober 2008 is het uurtarief aan klager bevestigd, terwijl van een prijsafspraak niet is gebleken.

Klachtonderdeel c. is derhalve kennelijk ongegrond.

Ten aanzien van klachtonderdeel d.

De gestelde onvoldoende deskundigheid is niet komen vast te staan. Uit het procesdossier blijkt, dat klager uitgebreid en gemotiveerd is geadviseerd en dat vervolgens in goed overleg met klager een uitgebreid en doorwrocht bezwaarschrift is ingediend.

Klachtonderdeel d. is derhalve kennelijk ongegrond.

Ten aanzien van klachtonderdeel e.

Onduidelijk is gebleven waar klager op doelt als hij stelt, dat verweerster te lang met procederen heeft gewacht. Voor het geval klager onder procederen het aanhangig maken van de beroepsprocedure verstaat overweegt de voorzitter, dat op grond van het bestuursprocesrecht is vereist, dat eerst een bezwaarschrift wordt ingediend. Het was in het belang van klager, dat het bezwaarschrift op een zorgvuldige wijze en na kennisneming van alle relevante stukken tot stand zou komen en het bezwaarschrift (ook het aanvullende) is tijdig ingediend. Klachtonderdeel e. is derhalve kennelijk ongegrond.

Ten aanzien van klachtonderdeel f.

Dit klachtonderdeel is door klager niet nader onderbouwd, zodat het kennelijk ongegrond is.

HET VOORGAANDE LEIDT TOT DE VOLGENDE BESLISSING:

De klacht van klager tegen verweerster is in al zijn onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 2 december 2010 door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter van de raad van discipline in het Rechtsgebied van het Gerechtshof te Arnhem, en in afschrift verzonden op 3 december 2010.

Voorzitter