Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

07-06-2010

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2010:YA0672

Zaaknummer

09-278A

Inhoudsindicatie

Advocaat dient de financiële afspraken die hij voorafgaand aan het aannemen van een zaak met zijn cliënt heeft gemaakt, schriftelijk aan cliënt te bevestigen, zodat deze afspraken voor cliënt transparant zijn. Doet hij dat niet, dan handelt hij klachtwaardig.

Uitspraak

 

RAAD VAN DISCIPLINE

in het ressort Amsterdam

BESLISSING d.d. 7 juni 2010

in de zaak 09-278A

 

De raad heeft het volgende overwogen en beslist naar aanleiding van de op 8 oktober 2009 binnengekomen klacht van:

 

de heer drs.

klager

 

tegen:

 

mevrouw mr.

Verweerster

 

1. Verloop van de procedure

1.1. Bij brief van 6 oktober 2009, door de raad ontvangen op 8 oktober 2009, heeft de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Amsterdam de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.2. De klacht is behandeld ter zitting van 15 maart 2010 in aanwezigheid van partijen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Klager heeft pleitnotities overgelegd, welke pleitnotities aan het proces-verbaal zijn gehecht.

1.3. De raad heeft kennis genomen van de in § 1.1 bedoelde brief van de deken aan de raad en van de bij die brief gevoegde stukken genummerd 1 tot en met 17 met bijlagen.

2. Klacht

2.1. De klacht jegens verweerster houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster in strijd met artikel 46 Advocatenwet:

a. klager onvoldoende op de hoogte heeft gebracht van de financiële gevolgen die waren verbonden aan het aanvaarden van de opdracht;

b. op onzorgvuldige wijze een einddeclaratie heeft opgemaakt, met name door te werken met voorschotdeclaraties.

3. Feiten

3.1. Voor de beoordeling van de klacht kan, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van het volgende worden uitgegaan.

3.2. Verweerster heeft klager vanaf zijn aanhouding door de politie op 19 februari 2008 tot 25 augustus 2008 bijgestaan in een (piket- en later) strafzaak. Over de wijze van betaling zijn tussen partijen mondelinge afspraken gemaakt. Over de inhoud van deze afspraken zijn partijen het niet eens. Bij declaraties d.d. 7 maart 2008, 16 april 2008 en 18 augustus 2008 heeft verweerster klager een voorschot van telkens € 2.500,- in rekening gebracht. De eerste twee voormelde voorschotdeclaraties zijn door klager betaald. De derde staat thans nog open.

3.3. Op 26 augustus 2008 heeft klager verweerster kenbaar gemaakt hun samenwerking te willen beëindigen. Verweerster heeft in dat licht het dossier overgedragen aan de door klager aangezochte advocaat. Bij brief d.d. 3 oktober 2008 heeft verweerster aan klager een einddeclaratie (d.d. 30 september 2008) gestuurd ad € 8.206,52. Van dit bedrag maakt ook onderdeel uit het nog niet betaalde bedrag ad € 2.500,-, welk bedrag bij voorschotnota d.d. 18 augustus 2008 aan klager in rekening is gebracht.

3.4. Bij brief d.d. 26 oktober 2008 heeft klager tegen voormelde afsluitende declaratie bezwaar gemaakt. Bij brief d.d. 19 december 2008 heeft verweerster op voormeld bezwaar gereageerd.

3.5. Bij brief d.d. 28 juli 2009 heeft verweerster aan klager aangekondigd een incassoprocedure aanhangig te zullen maken om betaling van haar declaratie te bewerkstelligen.

4. Beoordeling van de klacht

4.1. De raad zal de klachtonderdelen hierna afzonderlijk behandelen.

4.2. Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de raad als volgt. Een advocaat die de behandeling van een zaak op zich neemt, zal daarbij op een zorgvuldige wijze dienen te handelen. Zo kan worden verlangd dat de advocaat voorafgaande aan het in behandeling nemen van de zaak afspraken maakt met de cliënt over het te hanteren uurtarief en de wijze van declareren. De advocaat dient deze financiële afspraken schriftelijk aan de cliënt te bevestigen, zodat deze afspraken voor cliënt transparant zijn. Ook dient een advocaat bij een declaratie altijd een specificatie van de door hem/haar gewerkte uren te voegen.

4.3. Uitgaande hiervan had het op de weg van verweerster gelegen om haar afspraken met klager over het te hanteren uurtarief schriftelijk aan klager te bevestigen. Bovendien had verweerster naar het oordeel van de raad schriftelijk dienen te bevestigen dat klager afstand deed van een betaalde advocaat tijdens de piketfase en dat de door haar gehanteerde voorschotten niet moesten worden gezien als een soort depot, maar slechts als een vermindering op de einddeclaratie. Ten slotte had klager bij iedere rekening een urenspecificatie dienen te ontvangen, ook al had hij hierom niet gevraagd.

4.4. Op grond van deze gang van zaken is de raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerster klager voldoende op de hoogte heeft gebracht van de financiële gevolgen die waren verbonden aan het aanvaarden van de opdracht. Verweerster heeft niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Klachtonderdeel a is derhalve gegrond.

4.5. Ten overvloede overweegt de raad dat volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline de tuchtrechter in beginsel niet de bevoegdheid heeft declaratiegeschillen te beslechten. Voor zover klager klaagt over de hoogte van de declaratie is hij aldus niet-ontvankelijk. Met voorgaande overwegingen geeft de raad aldus geen oordeel over de redelijkheid van de hoogte van de declaratie.

4.6. Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de raad als volgt. De raad ziet niet in in hoeverre verweerster onzorgvuldig zou hebben gehandeld bij de totstandkoming van de einddeclaratie. Het staat een advocaat vrij - en aldus ook verweerster - om te werken met voorschotnota's, waarbij het voorschot moet worden gezien als een bedrag dat in mindering wordt gebracht op de einddeclaratie. Van belang hierbij is wel dat hierover duidelijke en schriftelijke afspraken worden gemaakt (hetgeen reeds bij de beoordeling van klachtonderdeel a aan de orde is gekomen). Verweerster heeft een tarief gehanteerd van € 175,- per uur. Klager heeft ter zitting bevestigd dat dit tarief met verweerster is overeengekomen. Het betreffende tarief is naar het oordeel van de raad geen ongebruikelijk hoog uurtarief. De einddeclaratie van verweerster is mede zo hoog als gevolg van het feit dat klager de derde voorschotnota d.d. 18 augustus 2000 niet heeft voldaan. Nu het verweerster vrij stond te werken met voorschotdeclaraties en haar uurtarief de raad niet onredelijk voorkomt, kan niet worden gezegd dat verweerster ten aanzien van dit klachtonderdeel onzorgvuldig heeft gehandeld. Klachtonderdeel b is dan ook ongegrond.

5. Maatregel

5.1. Met inachtneming van alle omstandigheden van het geval acht de raad het opleggen van de maatregel van enkele waarschuwing op zijn plaats.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart klachtonderdeel a gegrond;

- verklaart klachtonderdeel b ongegrond;

-        legt aan verweerster op de maatregel van enkele waarschuwing.

Aldus gewezen door mr. H. Brouwer, voorzitter, mr. P.W.M. Huisman, mr. B.E. van der Molen, mr. M.W. Schüller en mr. M.J. Westhoff, leden, bijgestaan door mr. E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juni 2010.

 

voorzitter           griffier

 

Deze beslissing is in afschrift op 7 juni 2010 per aangetekende brief verzonden aan:

- klager

- verweerster

- de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Amsterdam

- de deken van de Nederlandse orde van advocaten

Van deze beslissing kan ten aanzien van het gegrond verklaarde klachtonderdeel hoger beroep worden ingesteld bij het Hof van Discipline door:

- verweerster;

- de deken van de Nederlandse orde van advocaten

Ten aanzien van het ongegrond verklaarde klachtonderdeel kan hoger beroep worden ingesteld bij het Hof van Discipline door:

- klager

- verweerster

- de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Amsterdam

- de deken van de Nederlandse orde van advocaten

Het beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien. Het beroepschrift moet in zevenvoud worden ingediend tezamen met zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het Hof van Discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.

De appelmemorie kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van Discipline:

a. Per post

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is: Postbus 132, 4840 AC Prinsenbeek.

b. Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres Markt 44, 4841 AC Prinsenbeek.

Bezorging kan uitsluitend plaatsvinden op de gebruikelijke werkdagen tijdens de gebruikelijke kantooruren.

c. Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is: 076 – 548 4608. Tegelijkertijd met de indiening per fax dienen de originele stukken per post te worden toegezonden aan de griffie van het Hof in het vereiste aantal.

d. Telefonische informatie

076 - 548 4607.