Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-10-2010

ECLI

ECLI:NL:TADRLEE:2010:YA1887

Zaaknummer

56/10

Inhoudsindicatie

In een familierechtelijke kwestie heeft de rechtbank stukken opgestuurd naar verweerder in de veronderstelling dat verweerder nog advocaat was van klagers. Dat was niet meer het geval en aan verweerder was gebleken dat klagers een eigen juridisch adviseur hadden. Verweerder heeft per vergissing meegedeeld dat in de procedure een advocaat klagers diende bij te staan. Achteraf bleek dit onjuist en berustte op een kennelijke vergissing. Niet gebleken is dat verweerder willens en wetens onjuiste informatie heeft verstrekt. De klacht wordt als kennelijk ongegrond afgewezen.

Uitspraak

BESLISSING van de voorzitter van de raad van discipline in de zaak nr. 56/10

 

Bij brief, gedateerd 19 augustus 2010, van de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Groningen, is op 20 augustus 2010 bij de raad van discipline binnengekomen een klacht van

 

de heer en mevrouw [  ]

klagers

 

tegen

 

mr.[  ]

verweerder

 

De voorzitter heeft kennis genomen van bovengenoemde brief en het daarbij gevoegde dossier. Daaruit blijkt het volgende.

 

Feiten

Klagers zijn de juridische ouders van de minderjarige N., die door de kinderrechter. onder toezicht is gesteld van de stichting Stichting Bureau Jeugdzorg, die de uitvoering daarvan heeft opgedragen aan de directeur van het Leger des Heils, Jeugdzorg en Reclassering met ingang van 28 oktober 2009. De verblijfplaats van de minderjarige was. Verweerder heeft klagers in de procedure tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van hun zoon N. bijgestaan.

Op 22 maart 2010 heeft het Leger des Heils, Jeugdzorg en Reclassering (nader te noemen: LJ&R) bij de kinderrechter een verzoek ingediend tot toestemming voor het openen van een bankrekening voor een vakantiekamp voor N. en deelname door N. aan een vakantiekamp.

De rechtbank heeft bij brief van 1 april 2010 verweerder rechtstreeks van de indiening van vorenbedoeld verzoekschrift op de hoogte gesteld onder mededeling van de datum waarop de behandeling zal plaatsvinden. Dezelfde mededeling is ook aan klagers gedaan. In de oproep van 1 april 2010 heeft de rechtbank klagers er voorts van op de hoogte gesteld dat zij zich voor advies voor rechtsbijstand kunnen wenden tot een advocaat of het Juridisch Loket.

Telefonisch heeft één van klagers verweerder laten weten dat klagers inmiddels een gemachtigde hadden aangetrokken die hen zou bijstaan bij de behandeling van bovengenoemd verzoek. Bij de behandeling van het verzoek om vervangende toestemming voor het vakantiekamp heeft LJ&R het verzoek ingetrokken, waarna de kinderrechter LJ&R niet-ontvankelijk heeft verklaard in het betreffende verzoek.

 

Klacht

De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

Op 7 april 2010 werden klagers door de secretaresse van verweerder ervan in kennis gesteld dat verweerder stukken had ontvangen waaruit bleek dat er bij de rechtbank een zaak aanhangig was gemaakt door LJ&R. De secretaresse wilde met klagers een afspraak maken om de desbetreffende zaak met verweerder door te spreken. Klagers hebben laten weten dat zij zelf een gemachtigde hadden aangetrokken om hen in deze zaak ter zijde te staan.

Vervolgens belde verweerder op 8 april 2010, in welk telefoongesprek klagers er hun verbazing over uitspraken dat de stukken over de zaak van LJ&R naar verweerder waren gestuurd. Toen klagers verweerder lieten weten dat zij zelf over een gemachtigde beschikten om hen ter zijde te staan, suggereerde verweerder dat het een gemachtigde niet is toegestaan voor de rechtbank op te treden. Verweerder liet weten dat verweer voeren in deze zaak niet zonder advocaat kon. Achteraf bleek dit niet juist. Verweerder heeft klagers onjuist voorgelicht. Verweerder moet als advocaat toch weten wat de regels zijn. Hij heeft willens en wetens onjuiste informatie verstrekt aan mensen die geen gebruik meer willen maken van zijn diensten. Verweerder had met de LJ&R zaak niets te maken, omdat alle voorgaande zaken waarmee verweerder wel bemoeienis had gehad, waren afgerond. Verweerder had de door hem ontvangen stukken van de rechtbank onmiddellijk moeten doorsturen. Er was immers duidelijk sprake van een onjuiste gang van zaken, nu de rechtbank al wist dat klagers een andere juridische adviseur hadden. Er was voor de zaak immers geen wettelijke procesvertegenwoordiger nodig, nu het verzoek was ingediend door een zorgverlener. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij deze basiskennis bezit.

 

Verweer

Het verweer luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

Verweerder heeft klagers in het verleden wel bijgestaan bij de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van hun minderjarige zoon N. Na de beëindiging van de procedure in eerste aanleg is er contact gebleven tussen klagers en verweerder. Klagers zochten op hun beurt ook zelf contact met verweerder. Bij brief van 1 april 2010 ontving verweerder stukken van de rechtbank inzake het door LJ& R ingediende verzoek. Dat de rechtbank de desbetreffende stukken aan verweerder zond, acht hij begrijpelijk, nu hij immers bij de rechtbank als raadsman in de voorgaande procedure bekend was. Tijdens een telefonisch onderhoud dat verweerder met één van beide klagers voerde, is hem meegedeeld dat klagers inmiddels zelf een gemachtigde hadden aangetrokken, die hen in de verdere procedure zou bijstaan. Verweerder heeft in het desbetreffende gesprek aangegeven dat het maar de vraag was of deze gemachtigde mee de rechtszaal in zou mogen, nu normaliter de aanwezigheid van een advocaat vereist is. Uitdrukkelijk heeft verweerder aangegeven dat dit uiteraard niet betekende dat klagers verplicht waren iemand anders mee te nemen. Verweerder heeft ook niet aangegeven dat hij de zaak zelf zou/willen moeten voeren. Verweerder heeft zich op geen enkele wijze “opgedrongen”. Om die reden begrijpt verweerder de klacht dan ook niet. Hij heeft klagers slechts willen waarschuwen. Dat zijn suggestie niet juist bleek, zij zo, maar de intentie was goed; “eigen gewin”, zoals klagers suggereerden, speelde geen enkele rol. Voor het tuchtrecht is dan ook geen plaats.

 

Beoordeling

De voorzitter oordeelt als volgt.

Klagers beklagen zich over de handelwijze van verweerder met betrekking tot het door LJ&R bij de rechtbank ingediende verzoek tot toestemming voor het openen van een bankrekening voor een vakantiekamp voor de minderjarige zoon van klagers. Vast staat dat verweerder niet als advocaat van klagers is opgetreden. Hij had in een vorige procedure wel hun belangen behartigd, maar deze procedure was afgerond. Abusievelijk heeft de rechtbank het door LJ&R gedane verzoek beschouwd als een sequeel van de procedure ondertoezichtstelling/uithuisplaatsing en om die reden aangenomen dat verweerder zich ook met de behandeling van het door LJ&R gedane verzoek zou bezighouden. Toen na telefonisch contact bleek dat klagers over een eigen gemachtigde/juridisch adviseur beschikten, heeft verweerder de achteraf onjuiste waarschuwing gegeven dat volgens hem sprake was van verplichte procesvertegenwoordiging.

De handelwijze van verweerder dient te worden getoetst aan de norm zoals vastgelegd in art. 46 Advocatenwet. Dit artikel bepaalt onder meer dat het handelen van een advocaat niet in strijd mag zijn met de zorg die hij als advocaat behoort te betrachten.

In het onderhavige geval komt de voorzitter tot het oordeel dat verweerder niet in strijd met dit artikel heeft gehandeld. Uit de omstandigheden van het onderhavige geval - een telefoongesprek naar aanleiding van door de rechtbank aan verweerder gezonden stukken – leidt de voorzitter af dat de onjuiste informatie, die verweerder aan klagers heeft verstrekt over de noodzaak om een advocaat in te schakelen, kennelijk op een vergissing berust. Niet gebleken is dat verweerder willens en wetens onjuiste informatie heeft verstrekt.

Dit brengt met zich mee dat het in de klacht gestelde niet is komen vast te staan en dat de klacht derhalve als kennelijk ongegrond moet worden afgedaan.

 

Beslissing

De voorzitter van de raad van discipline oordeelt de klacht kennelijk ongegrond en wijst deze mitsdien af.

 

Aldus gegeven op 17 september 2010 te Leeuwarden door mr. P. Schulting, voorzitter, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.C. van der Kwaak - Wamelink.