Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

11-05-2009

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2009:YA0154

Zaaknummer

08-152H

Inhoudsindicatie

klacht tegen advocaat waarmee een samenwerkingsverband in het kader van het voeren van een juridisch adviesbureau heeft bestaan. klagers verwijten verweerder onjuiste informatie aan derden te verstrekken en zich onnodig grievend over hen uit te laten. klacht deels gegrond, deels ongegrond en deels niet ontvankelijk.

Uitspraak

RAAD VAN DISCIPLINE

in het ressort Amsterdam

 

BESLISSING d.d. 11 mei 2009

in de zaak 08-152H

_________________________

De raad heeft het volgende overwogen en beslist naar aanleiding van de op 27 mei 2008 binnengekomen klacht van:

 

de heer

de heer

Samen: k l a g e r s

tegen:

de heer mr.

v e r w e e r d e r

1. Verloop van de procedure

1.1 Bij brief van 26 mei 2008 door de raad ontvangen op 27 mei 2008 heeft de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Haarlem de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.2 De klacht is behandeld ter zitting van 14 oktober 2008 in aanwezigheid van partijen.

1.3 Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Zoals daarin vermeld is de zaak na behandeling ter zitting aangehouden in afwachting van de door partijen gewenste bemiddeling; inmiddels is gebleken dat deze niet geslaagd is, zodat thans zal worden beslist.

1.4 De raad heeft kennis genomen van:

(a) de in paragraaf 1.1 genoemde brieven van de deken aan de raad en van de stukken genummerd 1 tot en met 37 met bijlagen genoemd in de bij die brief gevoegde inventarislijst;

(b) de bij de mondelinge behandeling van de klacht door klagers overgelegde pleitaantekeningen.

(c) de door verweerder bij de mondelinge behandeling overgelegde acht producties.

2. Klacht

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder, in strijd met artikel 46 Advocatenwet, zich stelselmatig en herhaaldelijk in diverse brieven en processtukken  onjuist en onnodig grievend jegens (het kantoor van) klagers heeft uitgelaten.

Klagers hebben in hun brief aan de deken van 15 januari 2007 (klachtdossier p. 005-014) de gewraakte uitlatingen geciteerd onder overlegging van de stukken waaruit deze afkomstig zijn overgelegd; de uitlatingen zullen hierna worden weergegeven. 

3. Feiten

Voor de beoordeling van de klacht kan, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van het volgende worden uitgegaan:

3.1 Klagers zijn in 2004 een samenwerkingsverband met verweerder aangegaan. In 2005 is deze samenwerking in ruzie geëindigd, waarna over en weer een aantal civiele procedures aanhangig zijn gemaakt. Naast deze procedures hebben verweerder en klagers elkaar ook bestreden in het kader van de procedures die zij voor hun klanten voeren of hebben gevoerd casu quo in het kader van de procedures die zij tegen voormalige klanten voeren of hebben gevoerd. Voorts hebben klagers tevens een aantal klachtprocedures tegen verweerder aangespannen.

3.2 In emailverkeer d.d. 11 en 12 januari 2006 tussen verweerder en een cliënt van verweerder casu quo voormalige cliënt van klagers heeft verweerder zich als volgt over (het kantoor van) klagers uitgelaten (klachtdossier pagina 16, 17, 18 en 20):

"ik ben blij dat ik van deze oplichtersbende af ben."

"de zaken waren we aan het winnen. met vertrouwen had je meer bereikt dan met wantrouwen en het inschakelen van [klager sub 1], die het allemaal niet zo goed begrijpt"

"[klager sub 1]heeft gewoon 42,5 uur van mijn rekening heschreven terwijl mij geen inzage werd verstrekt over mijn rekening."

"ik kan je wel verzekeren dat ik de meeste procedures winnend afsluit en dat ik heb gezien dat [het kantoor van klagers] bijna alle zaken verliest."

"als je liever met clubs als [het kantoor van klagers] verder gaat vind ik dat onverstandig."

3.3 In een ten behoeve van zijn cliënte casu quo voormalige cliënte van (het kantoor van) klagers tegen een aan (het kantoor van) klagers gelieerde stichting uitgebrachte dagvaarding van 1 februari 2006 heeft verweerder zich als volgt over (het kantoor van) klagers uitgelaten (klachtdossier pagina 28, 29 en 32):

"(8) Gesteld zou kunnen worden dat hier sprake is van verduistering nu de gelden immers bestemd waren voor de onkosten van [verweerder], c.q. zijn procureur c.q. zijn deurwaarder.

(9) Verder heeft hij inzake deze kwestie een bedrag van 11,6 uur bij [verweerder] in rekening gebracht waarvan hij ([klager sub 2]) het merendeel al heeft afgeschreven van de rekening van [verweerder].

(20) [Klager sub 2] heeft in het contact met anderen herhaaldelijk laten weten dat hij geen boodschap heeft aan gerechtelijke uitspraken."

3.4 In een brief d.d. 22 februari 2006 van verweerder aan een cliënt van verweerder casu quo voormalige cliënt van (het kantoor van) klagers, heeft verweerder het volgende geschreven (klachtdossier pagina 38 en 39):

"Dat betekent dat ik voor mijn werkzaamheden geen betaling zal krijgen nu [het kantoor van klagers] weigert mij uit te betalen.

Ter achtergrond het volgende:

Op 5 oktober 2005 heeft [klager sub 2] mijn dossiers en kantoorbenodigdheden op straat gezet. Ook  is door hem een ander slot op de deur gezet van het kantoorpand waar ik ruimte huurde.

Aanleiding hiervoor was een voorstel dat ik had gedaan om twee dagen later met de heer [A] gezamenlijk te bespreken. [klager sub 2] meende dat dit een adequate handelwijze was.

Nadat er twee politieagenten met [klager sub 2] hadden gesproken weigerde hij toch mij toe te laten in mijn kantoorruimte.

Uiteindelijk ben ik andere kantoorruimte gaan zoeken. De samenwerking met [het kantoor van klagers] is derhalve door [het kantoor van klagers] zelf beëindigd.

[Klager sub 2] stuurde daarna nog een email waarin hij mij onder andere uitmaakte voor "duffe kop, minkukel, loser, mongool", en nog wat andere termen. Indien u wilt kan ik deze mail aan u doen toekomen.

Verder wordt ik de laatste tijd door [het kantoor van klagers] belaagd met allerlei gefingeerde vorderingen, kennelijk uit rancune, nu men ziet dat ik een goedlopende praktijk kan opbouwen zonder [het kantoor van klagers].

[Het kantoor van klagers] zal mijn factuur dan ook, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, gebruiken als wapen tegen mij en zich op "verrekening" beroepen, en mij niet uitbetalen.

Ik kan dan ook niet akkoord gaan met uw stelling dat ik mijn rekening aan [het kantoor van klagers] dien te sturen nu u weet hoe [het kantoor van klagers] zich tegen mij opstelt.

Ik zal dan ook mijn facturen aan [bedrijf B] moeten blijven zenden (ik heb geen keus) en tezijnertijd de mening van de Raad van Tucht vragen over deze kwestie. Ik meen namelijk dat er sprake is van ongeoorloofde belangenverstrengeling en partijdigheid.

Ook zal ik de burgerlijke rechter adieren om mijn vorderingen te innen. Ik betreur dat, maar er zijn ook voor mij grenzen."

3.5 Aan diezelfde geadresseerde heeft verweerder in een email van 13 maart 2006 het volgende geschreven (klachtdossier pagina 41):

"ps: op deze wijze wordt ik door [het kantoor van klagers] ook steeds tegengewerkt. loopt [bedrijf B] soms   aan de leiband van [het kantoor van klagers]?"

3.6 In een brief d.d. 1 mei 2006 van verweerder aan mr. X die eerder opgetreden was voor een cliënte van (het kantoor van) klagers en die vervolgens naar verweerder was overgestapt,  heeft verweerder het volgende geschreven (klachtdossier pagina 44):

"Verder vraag ik uw aandacht voor een andere kwestie: [klager sub 2] heeft een tweede dreigbrief aan cliënt gestuurd waarvan ik u de inhoud in afschrift doe toekomen (bijlage). Cliënt is hier niet van gediend en wil u verzoeken uw invloed op het onstuimige gemoed van [klager sub 2] aan te wenden teneinde verdere problemen te voorkomen.

"Ik vraag mij overigens af hoe u op basis van no cure, no pay, alsnog tot declaratie kan besluiten terwijl [klager sub 2] vast blijft houden aan de "no cure, no pay"gedachte. Van tweeën een: of er wordt op basis van no cure, no pay afgerekend (no pay) ofwel er is een afspraak op basis van een uurtarief.

"Ik vraag mij daarnaast af in hoeverre advocaten er verstandig aan doen om met dit soort mensen als [klager sub 2] in zee te gaan. Ik heb zelf nogal wat problemen met hem gehad en dan druk ik mij voorzichtig uit. Ik begreep dat [klager sub 2] een aantal jaren rechten heeft gestudeerd, maar niet in staat was zijn studie af te maken. Ook bleek hij niet in staat een constructieve relatie op te bouwen met [bedrijf C] en maakte hij op bedrijventerrein [D] ruzie met de buren, zodat ze hem achterna kwamen en hem rondom het pand achtervolgden.

Cliënt daarentegen verkeerde in de veronderstelling dat [klager sub 2] advocaat was. Dit lijkt me geen goede reclame voor de advocatuur."

3.7 In een procedure tussen verweerder en een derde partij waar (het kantoor van) klagers niet bij was betrokken, heeft verweerder op 10 mei 2006 een conclusie van antwoord genomen waarin hij de volgende uitlatingen heeft gedaan (klachtdossier pagina 46, 47 en 48):

"7. Kort gezegd kwam de omzet van [het kantoor van klagers] niet van de grond en werd [klager sub 2] door het incassobureau, vanwege allerlei problemen met hem in de omgang met medewerkers, aan de kant gezet.

10. Toen [verweerder] op 5 oktober 2005 niet in zijn kantoor kon en [klager sub 2] steeds hysterischer werd, heeft [verweerder] de politie erbij gehaald.

12. [Verweerder] had inmiddels de indruk gekregen dat [klager sub 2] niet geheel stabiel was en bedacht dat het gevaarlijk kon zijn voor zijn eigen veiligheid en die van zijn dossiers om nog langer in het pand te blijven.

16. Nadat [klager sub 2] de boekhouding had overgedragen bleken aanzienlijke bedragen van de rekening van [verweerder] te zijn weggesluisd door [klager sub 2]. [Klager sub 2] heeft overigens ervaring met dit soort dingen: zie www.curatoren.nl, de faillissementsverslagen van [bedrijf E] en [bedrijf F]. In deze faillissementszaken is [klager sub2] vanwege wanbeheer aangesproken door de curator. Tevens is hij veroordeeld tot het voldoen van aanzienlijke dwangsommen omdat hij geen rekening en verantwoording af wilde leggen. Om het niet te ingewikkeld te maken laat [verweerder] overlegging van deze openbare faillissementsverslagen achterwege. Wel is opmerkelijk dat [klager sub 2] inmiddels is verhuisd naar belgië, vermoedleijk om zijn schulden te ontlopen. (productie 4)

17. Toen begin 2006 een voormalige cliënte van [kantoor van klagers] zich tot [verweerder] wendde, onstak [klager sub 2] opnieuw in grote woede. De cliënte, een vrouw van 83, werd door [klager sub 2] bestookt met dreigbrieven en verzonnen facturen. [Klager sub 2] sluisde vervolgens geld weg  van de vrouw dat op zijn DERDENGELDrekening stond.

23. [Klager sub 2] heeft [verweerder] wel een rekening gezonden, maar hem nooit in gebreke gesteld. De producties die [klager sub 2] overlegt zijn nooit verzonden anders had [verweerder] ze wel ontvangen. Zij zijn derhalve nooit bij [verweerder] ter kennisneming gebracht. Deze handelwijze ligt in het verlengde van andere acties van [klager sub 2], namelijk in januari 2006 ineens de telefoon niet meer doorschakelen, zich hinderlijk ophouden in de nabijheid van het woonhuis van [verweerder] en daar met zijn MG langdurig parkeren en rondjes rijden, het bestoken van "overgelopen" cliënten met dreigbrieven en schadeclaims. Ook het indienen van tuchtrechtelijke klachten bij de Deken van de Haarlemse Orde van Advocaten te Haarlem hoort daarbij.

24. Ook in het dossier van de 83 jarige vrouw kwam [klager sub 2] aanzetten met nooit verzonden aanmaningen, zodat er sprake is van een gedragspatroon van iemand die geen spelregels kent en deze naar willekeur hanteert."

3.8 In een procedure tussen verweerder en klager sub 2 heeft verweerder op 24 mei 2006 een conclusie van antwoord genomen waarin hij de volgende uitlatingen heeft gedaan (klachtdossier pagina 52, 53 en 54):

"5. [Verweerder] liet de financiële administratie aan [klager sub 2] over. [Klager sub 2] maakte maandelijks geld aan zichzelf over omdat hij door [verweerder] was gemachtigd de administratie te voeren. [Verweerder] vond dat je elkaar blindelings moest kunnen vertrouwen.

6. De omzet bleef gedurende een jaar ver achter bij de aan [verweerder] voorgespiegelde verwachtingen. [klager sub 2] zelf bleek achteraf door het incassobureau uit Lelystad aan de kant te zijn gezet als vennoot en niets meer te vertellen te hebben. [Klager sub 2] had dit nooit aan [verweerder] gemeld. Van het incassobureau is dan ook vanaf januari 2005 geen enkele zaak meer binnengekomen.

9. Vervolgens zette [klager sub 2] op 5 oktober 2005 alle kantoorbenodigdheden van [verweerder] op straat op een moment dat [verweerder] niet aanwezig was. Verder deed hij een ander slot op de deur zodat [verweerder] geen toegang meer had tot zijn bedrijfsruimte. Op dezelfde dag werd door [klager sub 2] een bedrag van € 6.000,- naar zichzelf overgemaakt als "servicekosten vanaf oktober 2004 tot aan oktober 2005".

13. Op enig moment, in januari 2006, sluisde [klager sub 2] echter een bedrag van € 5.200,- van zijn Stichting Derdengelden door naar zichzelf. Dat geld behoorde toe aan een 83 jarige vrouw die aan had gegeven met [verweerder] verder te willen als rechtsbijstandverlener. [Verweerder] was daarop gedwongen deze oude vrouw te helpen en in kort geding werd [klager sub 2] gedwongen de gelden aan de oude vrouw terug te storten. De voorzieningenrechter in Haarlem oordeelde dat [klager sub 2] een onrechtmatige daad had begaan. (productie 3)

20. Dat betekent ook dat [verweerder] ten aanzien van de samenwerking met [klager sub 2] ook geen reconventionele vordering zal indienen nu [verweerder], vooralsnog, [klager sub 2] niet in gebreke heeft gesteld. [Verweerder] heeft namelijk nog aanzienlijke van [klager sub 2] tegoed die ontstaan zijn doordat [klager sub 2] allerlei gelden van de bedrijfsrekening van [verweerder] naar zijn eigen rekening heeft weggesluisd."

3.9 Op 29 juni 2006 heeft verweerder een dagvaarding tegen klager sub 2 uitgebracht. In de dagvaarding heeft hij het volgende geschreven (klachtdossier pagina 58):

"3. [Klager sub 2] beheerde derhalve de administratie voor [verweerder] en deed de facturering en de betalingen. Vooral de betalingen aan zichzelf.

4. [Klager sub 2] beëindigde de samenwerking in oktober 2005 op een vreemde manier: de spullen van [verweerder] werden op straat gezet en er werd door[klager sub 2] een ander slot op de door [verweerder] gehuurde bedrijfsruimte gezet. [Klager sub 2] maakte op dezelfde dag een bedrag van € 6000,- aan zichzelf over."

3.10 Bij brief van 12 juni 2006 heeft een cliënt van verweerder die voorheen cliënt van (het kantoor van) klagers was, het volgende aan (het kantoor van) klagers geschreven (klachtdossier pagina 62):

"(klaarblijkelijk bent u drukker met uw emigratie en uw zaak tegen [verweerder]).

Ik ga u niet veroordelen voor het geen ik inmiddels allemaal gelezen heb, maar had ik e.e.a. eerder geweten dan was onze relatie in een eerder stadium beëindigd."

3.11 Ten tijde van de mondelinge behandeling van de onderhavige klacht was het aantal klachten dat door klagers tegen verweerder was ingediend, opgelopen tot zestien separate klachtzaken. De mondelinge behandeling van de onderhavige klacht heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 oktober 2008. Op deze zitting zijn drie andere klachtzaken van klagers tegen verweerder aan de orde gekomen. Naar de raad bekend is uit de klachtdossiers van klagers tegen verweerder die ter zitting van 14 oktober 2008 aan de orde gekomen zijn, zijn partijen in procedures over en weer door de rechter aangesproken in verband met de wijze en toon waarop zij hun rechtsstrijd tegen elkaar voeren.

In een door verweerder ingediend verzoek tot weigering van klager sub 1 om bijstand te mogen verlenen in zaken waarin verweerder aan de andere partij(en) bijstand verleent, heeft de kantonrechter te Amsterdam bij beschikking van 25 september 2006 het desbetreffend verzoek toegewezen en daarbij overwogen dat de desbetreffende klager zijn rol als gemachtigde misbruikte "om zijn geschillen met [verweerder] uit te vechten en in het kader daarvan [verweerder] te beledigen, diens eer en goede naam aan te tasten en hem in de ogen van de rechter en zijn eigen cliënte in diskrediet te brengen" (klachtdossier 08-063 H, p. 221).

In een kort gedingprocedure tussen verweerder als eiser en klagers als gedaagden heeft de voorzieningenrechter te Haarlem bij vonnis van 16 november 2006 klagers een verbod opgelegd tot het doen van onrechtmatige mededelingen over verweerder (klachtdossier 08-063 H, p. 188).

In een bodemprocedure tussen verweerder als gedaagde en klager sub 2 als eisende partij heeft de kantonrechter te Haarlem in een vonnis van 16 mei 2007 in een overweging ten overvloede overwogen dat de opstelling van klagers " - gezien de hoeveelheid door hen aangevangen procedures tegen [verweerder] en de toon die zij bezigen in processtukken – op de kantonrechter enigszins obsessief overkomt" (klachtdossier 08-064 H p. 187).

In een procedure tussen verweerder als gedaagde en klager sub 2 als eisende partij heeft de rechtbank Haarlem in een vonnis van 5 december 2007 een vordering van klager sub 2 afgewezen en daarbij ten overvloede overwogen dat verweerder door klager sub 2 wordt "bestookt met talloze – in het algemeen kansloze – procedures en [dat] de vrees van [verweerder], dat nadere informatieverstrekking slechts tot meer van dat soort procedures zal leiden, gegrond [lijkt]" (klachtdossier 08-063 H, p. 235).

In een procedure tussen klager sub 2 als eiser en verweerder als gedaagde heeft de rechtbank Haarlem bij vonnis van 21 mei 2008 een aantal schriftelijke uitlatingen van verweerder over klager sub 2 onrechtmatig verklaard (klachtdossier 08-152 H laatste pagina).

4. Beoordeling van de klacht

4.1 De hierboven sub 3.2 tot en met 3.10 geciteerde uitlatingen dienen naar het oordeel van de raad te worden bezien in de context van de onderlinge relatie tussen partijen waarbij zij elkaar in felle bewoordingen op een veelheid van fronten bestrijden in zaken waarin de spanningen hoog zijn opgelopen en waarbij zij zich over en weer van kwalificaties hebben bediend die in rechte als onrechtmatig zijn bestempeld.

4.2 Met betrekking tot de hierboven sub 3.2 geciteerde uitlatingen is de raad van oordeel dat de kwalificatie "oplichtersbende" onnodig grievend is. Voor wat betreft de overige uitlatingen geldt dat zij als meningen over feitelijkheden of als adviezen kwalificeren die gezien de hiervoor omschreven omstandigheden niet tuchtrechtelijk laakbaar zijn.

4.3 De hierboven sub 3.3 geciteerde uitlatingen zijn gedaan namens een cliënte van verweerder in een procedure tegen (het kantoor van) klagers. De klacht van klagers kwalificeert als een klacht tegen uitlatingen van de advocaat van de wederpartij. De desbetreffende uitlatingen komen de raad gezien de genoemde omstandigheden niet tuchtrechtelijk laakbaar voor.

4.4 Ten aanzien van hetgeen hierboven sub 3.4 en 3.5 is geciteerd, geldt dat het op hoofdonderdelen als een feitenrelaas aan een cliënt kwalificeert en jegens klagers niet tuchtrechtelijk laakbaar is.

4.5 Met betrekking tot hetgeen hierboven sub 3.6 is geciteerd is de raad van oordeel dat de weinig zakelijke opstelling van verweerder weliswaar geen schoonheidsprijs verdient doch gezien de context niet tuchtrechtelijk laakbaar is.

4.6 Hetgeen verweerder hierboven sub 3.7 onder (12) en (16) schrijft over respectievelijk de beweerdelijke geestelijke instabiliteit van klager sub 2 en het feit dat hij vermoedelijk om zijn schulden te ontlopen naar België is verhuisd, acht de raad onnodig grievend. Voor de andere hierboven sub 3.6 geciteerde uitlatingen geldt dat deze gezien de context niet tuchtrechtelijk laakbaar zijn.

4.7 Ten aanzien van de hierboven sub 3.8 geciteerde uitlatingen gaat het om uitlatingen in een processtuk die zijn gedaan in een procedure waarbij klager sub 2 en verweerder partij waren en waaromtrent de raad van oordeel is dat deze uitlatingen gezien de context de tuchtrechtelijke toets kunnen doorstaan.

4.8 Ten aanzien van de hierboven sub 3.9 geciteerde uitlatingen gaat het eveneens om uitlatingen in een processtuk die zijn gedaan in een procedure waarbij klager sub 2 en verweerder partij waren en waaromtrent de raad wederom van oordeel is dat deze uitlatingen gezien de context de tuchtrechtelijke toets kunnen doorstaan.

4.9 Met hetgeen hierboven sub 3.10 is geciteerd  wordt geklaagd over uitlatingen in een brief van een derde aan (het kantoor van) klagers. Uit hetgeen is geciteerd leiden klagers af dat verweerder informatie naar de voormalige cliënt van hen heeft gelekt en beklagen zij zich erover dat verweerder in strijd met zijn geheimhoudingsplicht gehandeld heeft. In hun klacht dat de hierboven geciteerde uitlatingen onnodig grievend zijn en dat verweerder zijn geheimhoudingsplicht geschonden heeft, acht de raad klagers niet ontvankelijk nu enerzijds de bedoelde uitlatingen niet door verweerder (maar door een derde) zijn gedaan en anderzijds geldt dat verweerder tegenover (het kantoor van) klagers geen geheimhoudingsplicht heeft aangezien hij nimmer als advocaat ten behoeve van hen is opgetreden.

4.10 Maatregel

4.11 De slotsom van het bovenstaande is dat naar het oordeel van de raad van de veelheid van uitlatingen die klagers in de onderhavige klachtzaak aan het oordeel van de raad hebben voorgelegd, er drie tuchtrechtelijk laakbaar zijn. Geplaatst voor de vraag of deze tuchtrechtelijk laakbare uitlatingen een maatregel rechtvaardigen, overweegt de raad dat al deze uitlatingen dienen te worden bezien in het licht van de onderlinge relatie van partijen na de verbreking van hun  samenwerking. De raad stelt vast dat partijen in een veelvoud van civiele procedures en klachtprocedures zijn betrokken. In die procedures en in de klachtschriften laten klagers zich ook niet onbetuigd. Echter, gelet op de omstandigheden zoals hiervoor weergegeven  is de raad van oordeel dat geen maatregel behoort te worden opgelegd.

 

 

BESLISSING:

De raad van discipline verklaart:

-  de klacht gegrond voor wat betreft een deel van de hierboven sub 3.2 en 3.7 onder (12) en (16) geciteerde uitlatingen, een en ander zoals omschreven in 4.2 en 4.6 ;

- de klacht niet ontvankelijk wat betreft de hierboven onder 3.10 geciteerde uitlatingen;

- de klacht ongegrond ten aanzien van de overige uitlatingen;.

Aldus gewezen door mr. D.J. Markx, voorzitter, mr. H.F. Doeleman, mr. L.D.H. Hamer, mr. H.C.M.J. Karskens, mr. H.B. de Regt, leden met bijstand van mr. M.J.J. de Bontridder als griffier en uitgesproken ter zitting van 11 mei 2009.

 

 

voorzitter          griffie

Deze beslissing is in afschrift op 11 mei 2009 per aangete¬kende brief verzonden aan:

- klagers

- verweerder

- de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Haarlem

- de deken van de Nederlandse orde van advocaten.

Van deze beslissing kan hoger beroep bij het hof van discipli¬ne worden ingesteld door:

- klagers

- verweerder

- de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Haarlem

- de deken van de Nederlandse orde van advocaten

Het hoger beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien. Het beroep¬schrift moet in zevenvoud worden ingediend tezamen met zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

 

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het hof van discipli¬ne. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet moge¬lijk.

De appèlmemorie kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van Discipline:

a. Per Post 

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is: Postbus 132, 4840 AC  Prinsenbeek.

b. Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres Markt 44, 4841 AC  Prinsenbeek. Bezorging kan uitsluitend plaatsvinden op de gebruikelijke werkdagen tijdens de gebruikelijke kantooruren.

c. Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is: 076 - 548 46 08.

Tegelijkertijd met de indiening per fax dienen de originele stukken per post te worden toegezonden aan de griffie van het Hof in het vereiste aantal.

d. Telefonische informatie: 076 - 548 46 07.

* * * * *