Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

09-02-2009

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2009:YA0799

Zaaknummer

08-199U

Inhoudsindicatie

Een klacht tegen een advocaat waarin de deken eerder met succes heeft bemiddeld, kan later niet aan de Raad worden voorgelegd. Het staat een advocaat vrij voor zijn werkzaamheden een honorarium bij zijn cliënt in rekening te brengen, mits dit honorarium niet excessief is. In deze zaak was niet gebleken van een excessief ho-norarium.

Uitspraak

RAAD VAN DISCIPLINE

in het ressort Amsterdam

BESLISSING d.d. 9 februari 2009

in de zaak 08-199U

_____________________________________________________________________

De raad heeft het volgende overwogen en beslist naar aanleiding van het op 26 augustus 2008 ontvangen verzet van:

de heer

k l a g e r

tegen

de heer mr.

v e r w e e r d e r

 

1. Verloop van de procedure

1.1. Bij brief van 22 juli 2008, door de raad ontvangen op 24 juli 2008, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Utrecht de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.2. Bij beslissing van 18 augustus 2008 heeft de voorzitter van de raad de klachton-derdeel a kennelijk niet-ontvankelijk en klachtonderdeel b kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 18 augustus 2008 aan klager verzonden. Bij brief van 23 augustus 2008, door de raad ontvangen op 26 augustus 2008, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.3. Het verzet en de klacht zijn behandeld ter zitting van de raad van 1 december 2008 in aanwezigheid van klager en verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4. De raad heeft kennis genomen van de in par. 1.1 genoemde brief van de deken aan de raad en de stukken genummerd 1 t/m 12 met bijlagen, zoals vermeld in de bij de brief van 22 juli 2008 gevoegde inventarislijst. Voorts heeft de raad kennis genomen van de brief van de deken aan de raad met bijlagen van 29 juli 2008 alsmede de brief van klager aan de raad van 7 augustus 2008 met bijlagen. De raad heeft kennis genomen van de brieven van klager van 6 en 15 november 2008 aan de raad.

2. De klacht; het verzet

2.1. De klacht houdt in dat verweerder in strijd met artikel 46 Advocatenwet heeft gehandeld doordat hij

a. een akte van erfdienstbaarheid zou hebben verzwegen die van belang zou zijn geweest in de procedure ter zake de grensafscheiding tussen de percelen van klager en zijn buurvrouw en;

b. extra kosten heeft gemaakt bij het opsporen van bedoelde akte van erf-dienstbaarheid.

2.2. Zakelijk weergegeven houdt het verzet in dat ter zitting van 12 januari 2004 mr. X, de advocate die klager had ingeschakeld na afscheid te hebben genomen van verweerder, en mr. Y de advocaat van klager's wederpartij zijn buurvrouw, een nog nooit opgevraagd document hebben overgelegd. Verweerder heeft hiertoe het voorbereidend werk verricht. Mr. Y, de advocaat van de wederpartij, heeft de rechter verzocht de hele erfdienstbaarheid uit het rechtbank dossier te verwijde-ren. De rechter kon dat niet doen maar heeft daarvan wel aantekening gemaakt. Aangezien de erfdienstbaarheid in het rechtbankdossier zit, is het klachtonder-deel b gegrond, aldus het verzet.

3. De feiten

3.1. Voor de beoordeling van het verzet kan, gelet op de stukken en hetgeen ter zit-ting is verklaard, van het volgende worden uitgegaan.

3.2. In verband met een geschil met zijn buurvrouw over een te hoge erfafscheiding, een heg, heeft klager zich in 2003 tot verweerder gewend.

3.3. Medio 2003 heeft verweerder namens klager een dagvaarding laten betekenen aan de buurvrouw van klager waarbij hij haar heeft opgeroepen te verschijnen ter zit-ting van het kantongerecht te Amersfoort. Verweerder heeft voor klager verkla-ring voor recht gevraagd dat de heg, op of nabij de erfafscheiding tussen de per-celen toebehorend aan klager en zijn buurvrouw niet hoger dient te zijn dan 200 cm en veroordeling van de buurvrouw de heg op maximaal 200 cm te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag. In de dagvaarding is te lezen dat verweerder de kantonrechter verzoekt een descente te gelasten voor het geval de feitelijke situatie hem nog niet duidelijk is uit de dagvaarding en de daarbij behorende producties.

3.4. De advocaat van de buurvrouw heeft een beroep gedaan op onbevoegdheid van de sector kanton.

3.5. Bij brief van 31 juli 2003 heeft een kantoorgenoot van verweerder, bij afwezig-heid van verweerder, aan klager kopie toegestuurd van de conclusie houdende onbevoegdheid met daarbij een korte toelichting. In de toelichting is te lezen dat het onbevoegdheidsverweer tegenwoordig weinig betekenis meer heeft daar het kantongerecht een sector van de rechtbank vormt. De kantonrechter zou de zaak naar de andere sector verwijzen die wel bevoegd is en de procedure loopt dan door, aldus de toelichting.

3.6. Nadat klager namens verweerder een conclusie van antwoord in het incident op 3 september 2003 had genomen, heeft het kantongerecht bij vonnis van 22 okto-ber 2003 zich onbevoegd verklaard van het geschil kennis te nemen, klager ver-oordeeld in de proceskosten aan de zijde van zijn buurvrouw begroot op € 500,- en de zaak in de stand waarin deze zich bevond verwezen naar de sector handels- en familierecht van de rechtbank Utrecht.

3.7. Na het vonnis van de kantonrechter van 22 oktober 2003 heeft klager zich ge-wend tot mr. A en de behandeling van het geschil tegen zijn buurvrouw aan mr. A overgedragen.

3.8. Op 12 januari 2004 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden tussen kla-ger en zijn buurvrouw waarin een minnelijke regeling tot stand is gekomen over de hoogte van de heg die zich op de erfafscheiding bevindt.

3.9. Klager heeft zich na overdracht van zijn zaak aan mr. A eind 2003 met een klacht tegen verweerder gewend tot de deken. Nadat een bemiddelingsgesprek had plaatsgevonden, heeft het kantoor van verweerder een bedrag van € 1.500,- aan klager overgemaakt.

3.10. In 2006 heeft klager zich opnieuw tot verweerder gewend met het verzoek on-derzoek te doen naar het bestaan van een erfdienstbaarheid waarbij zijn erf en het erf van zijn buurvrouw betrokken zijn. Hierop heeft verweerder de zaak van klager in behandeling genomen en heeft notariële aktes doen opvragen. Per e-mail van 27 oktober 2006 heeft verweerder aan klager bericht dat geen erfdienst-baarheid bestaat met betrekking tot de bomen.

3.11. Het kantoor van verweerder heeft klager op 4 juli 2006 een declaratie toegezon-den voor werkzaamheden verricht tot en met juni 2006 ten bedrage van in totaal € 1.573,22.

4. Beoordeling van het verzet

4.1. De raad oordeelt dat de voorzitter terecht klager niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn eerste klachtonderdeel. Klager heeft ter zitting ook duidelijk gemaakt dat de uit 2003 daterende kwestie is afgedaan.

4.2. Het verzet tegen de beslissing op het tweede klachtonderdeel is ongegrond. Ver-weerder mocht klager een honorarium berekenen voor de werkzaamheden die hij in 2006 voor klager heeft verricht met het doel te onderzoeken of er sprake was van een erfdienstbaarheid. Volgens vaste jurisprudentie zijn klachten over decla-raties ongegrond zolang niet is gebleken van excessief declareren door de advo-caat. In deze zaak is niet gebleken dat verweerder aan klager een excessief hono-rarium in rekening heeft gebracht. Nu het verzet ook overigens geen nieuwe gezichtspunten heeft opgeleverd, verklaart de raad het verzet ongegrond.

BESLISSING:

De raad van discipline:

- verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gewezen door mr. Th.J.M. Gijsberts, voorzitter, mrs. A. Gerritsen-Bosselaar, P.W.M. Huisman, B.C. Romijn, M.J. Westhoff, leden, met bijstand van mr. L.C. Dufour als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 februari 2009.

 

De voorzitter is buiten staat       griffier

deze beslissing te ondertekenen

Deze beslissing is in afschrift op 9 februari 2009 per aangetekende brief verzonden aan

- klager

- verweerder

- de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Utrecht

- de deken van de Nederlandse orde van advocaten.

Tegen deze beslissing staat geen hoger beroep open.