Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

31-08-2009

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2009:YA0081

Zaaknummer

07-143U

Inhoudsindicatie

Klacht omtrent beweerdelijk onnodig grievende uitlatingen jegens AG OM. Doorbreking appelverbod wrakingsbeslissing? Onderzoek minnelijke regeling door Deken vereist? Eigen belang klager bij klacht. Art. 3 EVRM. Art. 6 EVRM.klacht ongegrond.

Uitspraak

RAAD VAN DISCIPLINE

in het ressort Amsterdam

BESLISSING d.d. 31 augustus 2009

in de zaak 07-143U

---------------------------------------------------------------------------

De raad heeft het volgende overwogen en beslist naar aanleiding van de op 7 mei 2007 binnengekomen klacht van:

 

k l a g e r

tegen:

Mr.

v e r w e e r d e r

1 Verloop van de procedure

1.1 Bij brief van 4 mei 2007, bij de raad binnengekomen op 7 mei 2007 heeft de deken van de orde van advocaten van het arrondissement Utrecht de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.2 De klacht is behandeld ter zitting van 22 juni 2009. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.3 De raad heeft kennis genomen van de in 1.1 bedoelde brief van de deken aan de raad en van de stukken genummerd 1 t/m 21 in de bij die brief gevoegde inventarislijst.

 

2 De klacht

2.1 De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder en zijn kantoorgenoten mrs. X en Y, tijdens de behandeling van een strafzaak, waarin klager optrad als advocaat-generaal voor het OM, zich onnodig grievend jegens hem hebben uitgelaten door hem te vergelijken met een “Furchtbare Jurist” onder het nazi-bewind alsmede met Japanse oorlogsmisdadigers die terzake hun omissiedelicten door het Tribunaal van Tokio werden veroordeeld.

  

2.2 Door aldus te handelen c.q. na te laten heeft verweerder volgens klager de norm vastgelegd in artikel 46 Advocatenwet overschreden.

3 Feiten:

Voor de beoordeling van de klacht kan, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is

  verklaard, van het volgende worden uitgegaan:

3.1 Verweerder treedt samen met zijn kantoorgenoten mrs. X en Y als raadslieden op in een strafzaak in hoger beroep. Tijdens de behandeling van deze strafzaak heeft mr. X in aanwezigheid van mr. Y en – blijkens de ondertekening van de pleitnota – mede namens verweerder onder meer het volgende betoogd: “De advocaat-generaal schaart zich als Furchtbare Jurist aan de zijde van de misdadige politieke leiding”.

3.2 Klager heeft mr. X gevraagd naar zijn bedoeling met deze woorden, waarop

mr. X heeft verwezen naar zijn pleitnota. In deze pleitnota wordt een verband gelegd met het euthanasieprogramma van het nazibewind ten aanzien van fysiek gehandicapten, geestelijk gehandicapten en ‘asociale types’ en de weigering van de rechterlijke macht om zich tegen deze ‘systeemmisdaad’ te verzetten. Ter toelichting heeft mr. X verklaard dat de verdediging zich van meet af aan op het standpunt heeft gesteld dat het in deze zaak om een systeemmisdaad gaat.

3.3 In het vervolg van zijn pleidooi heeft mr. X het OM vergeleken met Japanse oorlogsmisdadigers die terzake van hun omissiedelicten door het Tribunaal van Tokio werden veroordeeld. Daarop heeft de voorzitter van het hof de behandeling van de zaak geschorst.

3.4 Klager heeft eveneens tegen mrs. X en Y geklaagd (respectievelijk zaaknr. 07-141U en 07-142U). De raad heeft deze klacht in haar beslissing van 9 december 2008 ongegrond verklaard.

4 Ontvankelijkheid

4.1 Verweerder heeft een beroep gedaan op schending van art. 6 EVRM bij de wijze van afdoening van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer van de raad bij haar beslissing d.d. 23 maart 2009 (zaaknummer 08-297U). Daartoe heeft verweerder kort gezegd aangevoerd dat de raad op geen enkele wijze de van de zijde van verweerder gestelde rechtsverachting van de raad heeft weerlegd, de raad de meest basale beginselen van due process willens en wetens met voeten heeft getreden, en de raad valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Indien en voorzover verweerder hiermee wil betogen dat genoemde wrakingsbeslissing nietig dient te worden verklaard cq. vanwege onvoldoende motivering dient te worden vernietigd, slaagt dit beroep niet. De wrakingskamer is naar het oordeel van de raad zorgvuldig te werk gegaan. Klachten vanwege onvoldoende motivering kunnen bovendien tot doorbreking van het voor wrakingsbeslissingen geldende appelverbod leiden indien is komen vast te staan dat de wrakingskamer een fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd. De raad acht het voorshands niet aannemelijk dat het hof tot dat oordeel komt.

4.2 Verweerder heeft aangevoerd dat hem door de deken te Utrecht de mogelijkheid is onthouden om een gesprek met klager te hebben. Indien en voor zover verweerders daarmee hebben willen betogen dat de klacht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens het ontbreken van de mogelijkheid om de klacht in der minne te regelen, slaagt dat beroep niet. Voor de ontvankelijkheid van een klacht is niet vereist dat eerst de mogelijkheid van een minnelijke regeling wordt onderzocht.

4.3 Voor de ontvankelijkheid van de klacht is tenslotte nog van belang of klager een eigen belang heeft bij de klacht. Het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat komt niet aan een ieder toe, doch slechts aan degene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn belang is of kan worden getroffen. Uit de brief van 14 november 2006 waarbij klager de klacht heeft ingediend, blijkt dat klager zich persoonlijk gegriefd heeft gevoeld en de mede namens verweerder gedane uitlatingen van mr. X als een persoonlijke belediging heeft opgevat. Naar het oordeel van de raad heeft klager dan ook een eigen belang en is hij mitsdien ontvankelijk in zijn klacht.

5 Beoordeling

5.1 Het Europees Hof van de Rechten van de Mens heeft als uitgangspunt geformuleerd dat een strafadvocaat een grote vrijheid moet hebben om zich ter verdediging van de belangen van zijn cliënt te uiten. Daarbij dient hij vrij te zijn om zelf de relevantie en de bruikbaarheid van zijn argumenten te bepalen. De grens van de geoorloofde kritiek ligt in persoonlijke beledigingen.

5.2 Naar aanleiding van de onder 3.4 genoemde beslissing van de raad heeft verweerder zich in zijn brief van 2 juni 2009 op het standpunt gesteld dat art. 46 Advocatenwet geen beperking inhoudt van de uitoefening door advocaten van het recht op vrijheid van meningsuiting, waardoor de raad van discipline – die zijn bevoegdheid om te oordelen over gedragingen ontleent aan dat artikel – geen bevoegdheid heeft ter zake van de vraag of een advocaat al dan niet op rechtmatige wijze gebruik heeft gemaakt van zijn grondrecht van vrije meningsuiting. De Raad verwerpt dit standpunt aangezien zij op grond van art. 46 Advocatenwet tot tuchtrechtspraak bevoegd is. De raad dient vervolgens in het licht van het onder 5.1 geschetste uitgangspunt te onderzoeken of de uitlatingen van mr. X (gedaan mede namens verweerder en die ten grondslag liggen aan de onderhavige klacht) zodanig onbetamelijk zijn in de zin van art. 46 Advocatenwet dat deze uitlatingen oplegging van een disciplinaire maatregel rechtvaardigen. Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met het feit dat de uitlatingen zijn gedaan in de rechtszaal. Zeker in de rechtszaal moet de advocaat immers de mogelijkheid hebben het belang van zijn cliënt optimaal te dienen, al was het alleen omdat een inbreuk op het gebruik van deze ruimte onder omstandigheden tot een schending van artikel 6 EVRM kan leiden.

5.3 In de onderhavige zaak stelt verweerder zich op het standpunt dat de handelwijze van hun cliënt dient te worden gekarakteriseerd als een verzetsdaad tegen de overheid. Naar het oordeel van verweerder maakt de overheid zich schuldig aan nucleaire systeemmisdaad door het houden van F-16 straaljagers die geschikt zijn om atoombommen af te werpen. Verweerder vergelijkt deze ‘systeemmisdaad’ met het misdadige systeem van nazi-Duitsland. Als advocaat-generaal van het OM manifesteert klager zich volgens verweerder als verdediger van dit misdadige systeem. Daarmee is hij volgens verweerder te vergelijken met de ‘furchtbare Juristen’ van het Derde Rijk, die zich evenmin tegen het misdadige systeem hebben verzet. 

5.4 Hoewel de raad het begrijpelijk vindt dat klager zich door de gebruikte terminologie gekwetst voelt, zijn de uitlatingen van verweerder in de context van de in de strafzaak gevoerde verdediging te begrijpen als zakelijke kritiek die kennelijk niet persoonlijk was bedoeld. Met deze kritiek heeft verweerder naar het oordeel van de raad de grenzen van het toelaatbare niet overschreden. De klacht is mitsdien ongegrond.

BESLISSING:

De raad van discipline acht:

- de klacht ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H. Brouwer, voorzitter, mr. A. Gerritsen-Bosselaar, mr. A. de Groot, mr. P.W.M. Huisman, mr. M.W. Schüller, leden, met bijstand van mr. S. Baks als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 31 augustus 2009.

voorzitter       griffier

 

 

 

Deze beslissing is in afschrift op 31 augustus 2009 per aangetekende brief verzonden aan:

- klager

- verweerder

- de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Utrecht

- de deken van de Nederlandse orde van advocaten

Van deze beslissing kan hoger beroep bij het hof van discipline worden ingesteld door:

- klager

- verweerder

- de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Utrecht

- de deken van de Nederlandse orde van advocaten

Het hoger beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien. Het beroepschrift moet in zevenvoud worden ingediend tezamen met zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgende op de dag van verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het hof van discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.

De appèlmemorie kan op de volgende wijze worden ingediend bij het hof van discipline:

a. Per post

 Het postadres van de griffie van het hof van discipline is: Postbus 132, 4840 AC 

  Prinsenbeek

b. Bezorging

  De griffie is gevestigd aan het adres Markt 44, 4841 AC  Prinsenbeek. Bezorging kan

  uitsluitend plaatsvinden op de gebruikelijke werkdagen tijdens de gebruikelijke

  kantooruren.

c. Per fax

  Het faxnummer van het hof van discipline is 076 0 548 4608. Tegelijkertijd met de

  indiening per fax dienen de originele stukken in het vereiste aantal per post te worden

  toegezonden aan de griffie van het hof.

d.  Telefonische informatie

  076 – 548 4607.