Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

09-02-2009

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2009:YA0794

Zaaknummer

08-187U

Inhoudsindicatie

De beoordeling van het gedrag van een advocaat in een civiele procedure die het bestaan en de toewijsbaarheid van een door een partij ingestelde vordering tot inzet heeft, is aan de civiele rechter. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden is plaats voor ingrijpen van de tuchtrechter. Die doen zich hier niet voor.

Inhoudsindicatie

Verder kan niet worden gezegd dat een advocaat in een civiele procedure niet voor een cliënt mag optreden indien die cliënt zich voor de toewijsbaarheid van zijn vordering die hij eerder - als verdachte gehoord - heeft ontkend.

Uitspraak

 BESLISSING d.d. 9 februari 2009

in de zaak 08-187U

De raad heeft het volgende overwogen en beslist naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad op de klacht van:

de heer

k l a g e r

tegen:

de heer mr.

v e r w e e r d e r

1.  verloop van de procedure:

1.1 Bij brief van 2 juli 2008, door de raad ontvangen op 7 juli 2008, heeft de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Utrecht de klacht ter kennis van de raad ge-bracht.

1.2 Bij beslissing van 11 juli 2008 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad de klacht kennelijk ongegrond verklaard, welke beslissing op 11 juli 2008 is verzonden aan klager.

1.3 Bij brief van 24 juli 2008, door de raad ontvangen op 25 juli 2008, heeft mr. Boone namens klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter.

1.4 Het verzet is behandeld ter zitting van de raad op 2 december 2008 in aanwezigheid van partijen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.5 De raad heeft kennis genomen van:

- de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter waarvan verzet en van de stukken waarop die beslissing blijkens de tekst daarvan is gegeven;

- het verzet van klager bij brief van 24 juli 2008.

2. de klacht/het verzet:

2.1 De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder in strijd met artikel 46 Advoca-tenwet heeft gehandeld doordat hij in strijd met de door hem afgelegde eed/belofte een zaak heeft behandeld waarvan hij in gemoede weet dat die niet rechtvaardig is.

2.2 Het verzet houdt zakelijk weergegeven in dat de plaatsvervangend voorzitter de klacht ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard nu hij in zijn beslissing voorbij is gegaan aan de wetenschap van verweerder omtrent het niet-bestaan van de vordering van zijn cliënt op klager. De cliënt van verweerder had als verdachte in een strafzaak immers ver-klaard geen gelden te hebben uitgeleend aan klager. Verweerder is desondanks overgegaan tot het opstarten van een civiele procedure met als inzet de terugbetaling van geleende gelden.

3. feiten

Voor de beoordeling van het verzet kan worden uitgegaan van de door de plaatsvervan-gend voorzitter aangehaalde feiten nu daartegen door klager geen gronden zijn aange-voerd.

4. beoordeling van het verzet

4.1 De raad is van oordeel dat de plaatsvervangend voorzitter bij zijn beoordeling de juiste maatstaf heeft toegepast, en voorts acht heeft geslagen op alle relevante omstandigheden van het geval. Terecht is overwogen dat verweerder als advocaat een grote vrijheid van handelen toekomt bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt. Er zijn omstandig-heden denkbaar dat deze vrijheid moet worden ingeperkt. Het staat bijvoorbeeld een ad-vocaat niet vrij feiten te poneren waarvan hij de onwaarheid kent, althans behoort te ken-nen. Voorzover klager heeft bedoeld te stellen dat verweerder wist, althans behoorde te weten dat hij een niet-bestaande vordering poogt te incasseren, althans dat verweerder naar het bestaan van die vordering eerst nader onderzoek had behoren te doen, houdt die stelling geen stand. Het enkele feit dat de cliënt van verweerder in de civiele zaak een standpunt lijkt in te nemen dat zich op het eerste gezicht moeilijk laat rijmen met een eer-der in de strafzaak afgelegde verklaring, wil immers nog niet zeggen dat de vordering niet bestaat, en nog minder dat verweerder daarvan overtuigd moest zijn. De wetenschap van verweerder daaromtrent is daarom niet relevant.

4.2 Ten overvloede wordt nog als volgt overwogen. De beoordeling omtrent het bestaan en de toewijsbaarheid van de door de cliënt van verweerder gestelde vordering is aan de ci-viele rechter. Nu de civiele rechtsgang over deze affaire blijkens de stukken en het ver-handelde ter zitting nog niet is afgesloten, is alleen in uitzonderlijke omstandigheden plaats voor ingrijpen van de tuchtrechter. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken.

4.3 Op basis van het voorgaande is de raad van oordeel dat de door klager aangevoerde gronden niet kunnen slagen en dat de plaatsvervangend voorzitter de klacht terecht en op juiste gronden kennelijk ongegrond heeft bevonden.

4.4 Nu het verzet van klager tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter ook ove-rigens geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor verder onderzoek naar de klacht en moet het verzet dan ook ongegrond worden verklaard.

BESLISSING:

De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, mr. B. ten Doesschate, mr. S.M. Gaas-beek-Wielinga, mr. B. Roodveldt, mr. M.G.F. van Voorst tot Voorst, leden, met bijstand van mr. L. Koning als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 9 februari 2009.

 

voorzitter      griffier

 

 

Deze beslissing is in afschrift op 9 februari 2009 per aangetekende brief verzonden aan:

- klager

- verweerder

- de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Utrecht

- de deken van de Nederlandse orde van advocaten.

Van deze beslissing kan geen hoger beroep bij het Hof van Discipline worden ingesteld.

* * * * *