Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-01-2001

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2001:YA3287

Zaaknummer

5798

Inhoudsindicatie

Klacht over wijze van onderzoek door verweerder als deken ongegrond.

Uitspraak

 

    

     

17 januari 2011

No. 5798

Hof van Discipline

Beslissing

naar aanleiding van het hoger beroep van

klagers

tegen:

verweerder.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s Gravenhage (verder: de raad) van 12 april 2010, onder nummer R.3338/09.170, aan partijen toegezonden op 16 april 2010, waarbij een klacht van klagers tegen verweerder ongegrond is verklaard.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 De memorie waarbij klagers van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 14 mei 2010 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2 Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- de stukken van de eerste aanleg;

- de antwoordmemorie van verweerder;

- faxbericht van klagers aan het hof van 28 mei 2010;

- faxbericht van klagers aan het hof van 2 september 2010;

- schrijven van verweerder aan het hof van 14 september 2010.

2.3 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 15 november 2010, waar verweerder is verschenen.

4. De feiten

 In overweging 2. heeft de raad vastgesteld van welke feiten in deze procedure wordt uitgegaan. De door de raad vastgestelde feiten, welke niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt.

5. De beoordeling

5.1 Het onderzoek in hoger beroep heeft niet geleid tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de raad, waarmee het hof zich verenigt.

5.2 De grieven van klagers tegen de beslissing van de raad worden verworpen. De beslissing van de raad dient te worden bekrachtigd.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Gravenhage van 12 april 2010, onder nummer R. 3338/09.170.

       

Aldus gewezen op 15 november 2010 door mr. C.J.J. van Maanen, voorzitter, mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, P.J. Baauw, D.P. Ruitinga en M. Meerman-Padt, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.F. Schouwink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2011.