Naar boven ↑

Update

Nummer 20, 2026
Uitspraken van tot

Onder het kopje ‘Selectie uitspraken door de NOvA’ wordt toegelicht waarom de uitspraken zijn geselecteerd. Door te klikken op het ECLI-nummer wordt u doorgeleid naar de database NOvA Tuchtrecht Updates.  

Onder het kopje ‘Samenvattingen’ vindt u de samenvattingen die door de tuchtcolleges ten behoeve van de publicatie zijn gemaakt. Deze samenvattingen zijn ook te vinden in de database NOvA Tuchtrecht Updates.  

Selectie uitspraken door de NOvA  

ECLI:NL:TAHVD:2025:275: Onvoldoende transparante declaraties leiden tot deels voorwaardelijke schorsing 
Deze zaak betreft een dekenbezwaar vanwege het optreden van verweerder voor meerdere vennootschappen binnen één concern. De deken verweet hem onder meer dat hij zonder deugdelijke opdrachtbevestiging een procedure was gestart, onzorgvuldig had gedeclareerd en een verstrekkende vrijwaringsverklaring had laten onderteken door de UBO van zijn cliënten. 

De raad had eerder geoordeeld dat verweerder in strijd had gehandeld met de kernwaarden integriteit en financiële integriteit en legde een onvoorwaardelijke schorsing van 26 weken op. In hoger beroep stond alleen het onderdeel over de financiële integriteit nog ter discussie. Het oordeel dat verweerder zonder deugdelijke opdrachtbevestiging een procedure was gestart en daarmee de kernwaarde integriteit had geschonden, stond vast in appèl.  

Het hof stelt vast dat verweerder zijn werkzaamheden voor meerdere cliënten in één dossier factureerde en daarbij gebruikmaakte van zeer algemene omschrijvingen zoals ‘diversen ongespecificeerd’. Op de facturen ontbraken bovendien gegevens over de verrichter van de werkzaamheden, het gehanteerde uurtarief en de daadwerkelijke tijdsbesteding per persoon. Volgens het hof rust op een advocaat een eigen verplichting om transparant en controleerbaar te declareren. Dat de cliënten de facturen zonder protest hebben betaald, doet daar niet aan af. Ook de declaraties die na beëindiging van de rechtsbijstand op basis van een vrijwaringsverklaring werden verstuurd, waren onvoldoende inzichtelijk. Deze onderdelen van het dekenbezwaar worden gegrond verklaard. 

Anders oordeelt het hof over de verwijten dat voorschotten en betalingen niet correct zouden zijn verrekend. Verweerder heeft in hoger beroep met overzichten, facturen en bankafschriften voldoende aannemelijk gemaakt dat de ontvangen bedragen konden worden gekoppeld aan facturen en daadwerkelijk waren verrekend. Ook het verwijt over de vrijwaringsverklaring houdt geen stand. Hoewel een advocaat in beginsel een informatieplicht heeft over de gevolgen van een dergelijke verklaring, acht het hof van belang dat de betrokken UBO zelf het initiatief tot de vrijwaring had genomen en ruime ervaring had met dergelijke constructies.  

Het hof concludeert dat verweerder onzorgvuldig en onvoldoende transparant heeft gedeclareerd en daarmee de kernwaarde financiële integriteit heeft geschonden. Omdat enkele onderdelen van het dekenbezwaar alsnog ongegrond worden verklaard en verweerder blijk heeft gegeven van zelfreflectie en verbetermaatregelen heeft getroffen, matigt het hof de eerdere opgelegde maatregel. Aan verweerder wordt een schorsing opgelegd van twaalf weken, waarvan zes weken voorwaardelijk.  

ECLI:NL:TADRARL:2026:5: Waarschuwing wegens onvoldoende transparantie over oplopende kosten in echtscheidingsprocedure 
Deze zaak betreft een klacht van een cliënt tegen zijn eigen advocaat in een echtscheidingsprocedure. Klager verwijt verweerder onder meer dat hij disproportionele declaraties heeft gestuurd, nalatig is geweest in de afwikkeling van de echtscheiding en onvoldoende heeft opgetreden tegen vertragingen in de procedure.  

De raad stelt vast dat verweerder bij aanvang van de opdracht wel een uurtarief heeft afgesproken, maar geen concrete inschatting heeft gegeven van de te verwachten kosten. Toen klager gedurende de procedure meerdere keren zijn zorgen uitte over de snel oplopende juridische kosten en expliciet meldde dat zijn financiële middelen ontoereikend werden, heeft verweerder volgens de raad onvoldoende adequaat gereageerd. Hoewel verweerder in april 2024 aan klager schreef dat de meeste kosten normaal gesproken al gemaakt zouden moeten zijn, volgden daarna nog meerdere declaraties van in totaal ruim € 11.000. Gelet op de kennis die verweerder had van de financiële situatie van klager, had het op zijn weg gelegen om het gesprek over de kosten aan te gaan en meer duidelijkheid te verschaffen over de verdere financiële gevolgen van de procedure. Door dat na te laten heeft verweerder onvoldoende transparant gehandeld over zijn declaraties. Dit klachtonderdeel wordt gegrond verklaard. 

De raad kan echter niet beoordelen of de in rekening gebrachte kosten disproportioneel waren. Op het eerste gezicht lijken de kosten van ruim € 25.000 erg fors voor de behandeling van een echtscheidingszaak, maar alle declaraties waren voorzien van urenspecificaties en daarin zijn geen onregelmatigheden vastgelegd. Ook het verwijt dat verweerder de echtscheiding niet heeft afgerond, treft geen doel. Dat de zaak na beëindiging van zijn werkzaamheden nog niet volledig was afgewikkeld, kan hem niet worden verweten.  

Het verwijt dat verweerder klager onvoldoende heeft geadviseerd over de gevolgen van het niet uitschrijven van diens ex-echtgenote van het woonadres wordt eveneens ongegrond verklaard. Volgens de raad ligt het primair op de weg van partijen zelf om eventuele aanspraken op toeslagen te beoordelen. Daarnaast stond vast dat de ex-echtgenote mede-eigenaar van de woning was en zich niet wilde laten uitschrijven. Tot slot slaag het verwijt dat verweerder onnodige vertragingen in de procedure niet heeft voorkomen ook niet. De raad overweegt dat sprake was van een complexe echtscheidingsprocedure waarin partijen op meerdere punten verdeeld bleven en waarbij diverse instanties betrokken waren. Dat verweerder verantwoordelijk was voor onnodige vertragingen is niet gebleken. 

De raad concludeert dat verweerder tekort is geschoten in zijn communicatie over de te verwachten kosten en onvoldoende oog heeft gehad voor de financiële zorgen van zijn cliënt. De raad acht de maatregel van een waarschuwing passend en geboden.  

ECLI:NL:TADRSGR:2026:16: Berisping wegens verboden resultaatgerelateerde beloningsafspraak met cliënt 
Deze zaak betreft een klacht van een cliënt tegen zijn strafrechtadvocaat. Klager verwijt verweerder onder meer dat hij hem financieel onder druk heeft gezet door kort voor de zitting te eisen dat hij akkoord zou gaan met afdracht van de helft van de schadevergoeding bij winst van de zaak, anders ging verweerder klager niet verdedigen. Daarnaast verwijt klager verweerder dat hij zijn belangen onvoldoende heeft behartigd tijdens de strafprocedure.  

De raad stelt vast dat uit WhatsApp-berichten blijkt dat verweerder aan klager heeft voorgesteld om bij een eventuele vrijspraak aanspraak te maken op 50% van de schadevergoeding. Daarbij heeft verweerder geschreven dat hij zonder akkoord van klager niet verder zou gaan met de verdediging. Verweerder heeft ter zitting erkend dat hij dit voorstel niet had mogen doen. Volgens de raad is deze afspraak in strijd met artikel 7.7 lid 1 onder b van de Verordening op de advocatuur (Voda), waarin is bepaald dat een advocaat geen honorarium mag afspreken dat afhankelijk is van het behaalde resultaat. Door vervolgens een aanvullende financiële vergoeding te verlangen en daarbij druk uit te oefenen op klager, heeft verweerder gehandeld in strijd met de kernwaarde financiële integriteit. Dit klachtonderdeel wordt gegrond verklaard. 

Het verwijt dat verweerder inhoudelijk tekortgeschoten is in zijn bijstand slaagt niet. Volgens klager heeft verweerder een rol gespeeld bij wijzigingen van de zittingsdatum en heeft hij onvoldoende rekening gehouden met klagers gehoorproblemen, waardoor hij zichzelf niet goed had kunnen verdedigen. De raad ziet daarvoor echter geen aanknopingspunten. Uit informatie van het gerechtshof blijkt dat de zitting nooit op de door klager genoemde datum was gepland en dat de wijziging van het tijdstip van de zitting na overleg met verweerder heeft plaatsgevonden. Ook is niet gebleken dat verweerder tekortgeschoten is in het ondersteunen van klager die een gehoorbeperking heeft. Het hof heeft vastgesteld dat klager tijdens de zitting is gehoord en had aangegeven de raadsheren te kunnen verstaan. Dat klager achteraf van mening is dat hij onvoldoende heeft kunnen volgen wat er werd gezegd, maakt niet dat verweerder daarvan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dat verweerder corrupt zou zijn, heeft klager ook niet verder onderbouwd. 

De raad concludeert dat verweerder een ontoelaatbare resultaatgerelateerde beloningsafpraak heeft voorgesteld en zijn cliënt daarbij onder druk heeft gezet. Gelet op de ernst van deze gedraging, de schending van de financiële integriteit en eerdere tuchtrechtelijke maatregelen die aan verweerder zijn opgelegd, acht de raad de maatregel van een berisping passend en geboden.  

ECLI:NL:TADRSGR:2026:10: Klacht ongegrond: geen belangenverstrengeling door professionele samenwerking tussen advocaten 
Deze zaak betreft een klacht van een cliënte tegen haar voormalige advocaat in een langdurige echtscheidingsprocedure. Klaagster verwijt verweerster dat zij niet transparant is geweest over een samenwerkingsverband met de advocaat van de wederpartij. Volgens klaagster bestond tussen beide advocaten een zodanige professionele en financiële verwevenheid dat er sprake was van belangenverstrengeling in de zin van gedragsregel 15.  

De raad stelt vast dat verweerster en de advocaat van de wederpartij beiden waren aangesloten bij een praktijkgroep die voortkomt uit de Vereniging van Collaborative Professionals (VvCP). Binnen dit verband wordt gewerkt met een multidisciplinaire methode gericht op het gezamenlijk oplossen van conflicten. Volgens verweerster bestaat binnen deze praktijkgroep geen verplichting om met elkaar samen te werken en kiezen cliënten zelf welke professionals zij inschakelen. De raad acht onvoldoende onderbouwd dat tussen verweerster en de advocaat van de wederpartij sprake was van een gedeeld financieel belang. Het enkele feit dat zij gebruikmaakten van hetzelfde secretariaat en postadres is daarvoor onvoldoende.  

Voor zover klaagster zich beroept op belangenverstrengeling, overweegt de raad dat daarvan in de zin van de gedragsregels alleen sprake kan zijn wanneer een advocaat optreedt tegen een voormalige cliënt. Daarvan was in deze zaak geen sprake. Daarnaast blijkt uit de stukken dat verweerster al in december 2019 aan klaagster had meegedeeld dat zij de advocaat van de wederpartij professioneel kende en eerder met haar had samengewerkt. Klaagster reageerde daarop destijds positief. Ook staat vast dat de website waarop het samenwerkingsverband ‘Marathon-scheiden’ werd gepresenteerd pas in 2021 online is gekomen, zodat verweerster klaagster daar in 2019 niet over had kunnen informeren. 

De raad concludeert dat niet is gebleken van financiële verwevenheid, belangenverstrengeling of een gebrek aan transparantie. Evenmin is vastgesteld dat de kwaliteit van de dienstverlening onder de maat is geweest. De klacht wordt daarom in zijn geheel ongegrond verklaard.  

Samenvattingen (bron: tuchtcolleges) 

2. Eigen advocaat

3. Advocaat wederpartij