Naar boven ↑

Update

Nummer 2, 2026
Uitspraken van tot


Onder het kopje ‘Selectie uitspraken door de NOvA’ wordt toegelicht waarom de uitspraken zijn geselecteerd. Door te klikken op het ECLI-nummer wordt u doorgeleid naar de database NOvA Tuchtrecht Updates.  

Onder het kopje ‘Samenvattingen’ vindt u de samenvattingen die door de tuchtcolleges ten behoeve van de publicatie zijn gemaakt. Deze samenvattingen zijn ook te vinden in de database NOvA Tuchtrecht Updates.  

Selectie uitspraken door de NOvA  

ECLI:NL:TAHVD:2025:14: Geen maatregel wegens proefprocedure
 
Deze zaak betreft een dekenbezwaar. Tussen de deken en verweerder bestond een (principieel) verschil van inzicht over de vraag of het verweerder vrijstond in een strafzaak zowel de werkgever-verdachte als de werknemers-getuigen bij te staan, waardoor de deken en verweerder gezamenlijk besloten hebben bij wijze van proefprocedure aan de raad te verzoeken hierover een oordeel te geven. 

Het dekenbezwaar houdt in dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 46 van de Advocatenwet, de kernwaarden onafhankelijkheid en partijdigheid en gedragsregel 15 door: 
a) in dezelfde strafzaak zowel de werkgever-verdachte als werknemers-getuigen bij te staan;
b) afspraken over mogelijke belangenconflicten niet per cliënt schriftelijk vast te leggen; 
c) zijn bijstand niet te beëindigen toen duidelijk werd dat zich daadwerkelijk een tegenstrijdig belang voordeed. 

De raad is van oordeel dat verweerder had moeten concluderen dat het niet mogelijk was de belangen van zowel de werkgever-verdachte als van de werknemers-getuigen in volle vrijheid te bedienen, met name gelet op de afhankelijkheidsrelatie tussen de partijen en de financiële kant daarvan. Door toch allen te blijven bijstaan, heeft verweerder in strijd met gedragsregel 15 lid 1 gehandeld en zijn kerntaak van partijdige belangenbehartiger geschonden. Daarnaast is door verweerders bijstand de kernwaarde onafhankelijkheid in het gedrang gekomen. De raad concludeert dat het dekenbezwaar in alle onderdelen gegrond is, maar legt geen maatregel op nu sprake is van een proefproces. Verweerder is in hoger beroep gekomen tegen de gegrond verklaarde onderdelen (a) en (c). 

Het hof is van oordeel dat de afhankelijkheidsrelatie tussen werkgeververdachte en werknemersgetuigen niet per definitie betekent dat sprake is van (de schijn van) een tegenstrijdig belang. Als een advocaat vaststelt dat de getuige zijn verklaringsvrijheid behoudt en dit niet leidt tot strijdigheid met het belang van de werkgever-verdachte, is er naar het oordeel van het hof geen beletsel om deze getuige ook van rechtsbijstand te voorzien. Het hof is niet gebleken dat verweerder op dit punt onzorgvuldig heeft gehandeld. Het hof verklaart de onderdelen (a) en (c) van het dekenbezwaar ongegrond en bekrachtigt de beslissing van de raad voor het overige. 

ECLI:NL:TADRSGR:2025:40: Schorsing wegens onzorgvuldig handelen
Deze zaken betreffen een klacht tegen de eigen advocaat en een dekenbezwaar. Klager is door verweerder bijgestaan in een letselschadezaak, in verband met een door klager overkomen ongeval. De klacht en het bezwaar houden in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld doordat hij tekortgeschoten is in de behartiging van de belangen van klager, waardoor de vordering van klager op de wederpartij is verjaard. 

De raad is van oordeel dat verweerder tekort is geschoten in de bijstand van klager, onvoldoende voortvarendheid heeft betracht en onvoldoende heeft gecommuniceerd c.q. schriftelijk heeft vastgelegd. Verweerder heeft daarmee niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Of de vordering van klager op zijn wederpartij is verjaard en of verweerder daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden, ligt nog ter beoordeling bij de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van verweerder voor. Daarnaast is geen rechterlijk oordeel gewezen dat de vordering is verjaard en is het, gelet op verstuurde stuitingsbrieven, volgens de raad niet evident dat de vordering is verjaard. 

De raad verklaart op bovenstaande gronden de klacht en het dekenbezwaar voor zover die zien op het laten verjaren van een vordering ongegrond en verklaart de klacht en het dekenbezwaar voor het overige gegrond. Mede gelet op een zeer aanzienlijk tuchtrechtelijk verleden van verweerder legt de raad hem een onvoorwaardelijke schorsing van zes weken op. 

ECLI:NL:TADRAMS:2025:50: Waarschuwing wegens onzorgvuldig handelen 
Deze zaak betreft een klacht van klager tegen zijn voormalige advocaat. Klager verwijt verweerster dat zij zich kort voor de zitting zonder geldige reden aan de zaak heeft onttrokken, verhinderdata aan de rechtbank heeft doorgegeven zonder hem te informeren en heeft nagelaten de rechtbank op de hoogte te stellen van zijn adreswijziging of hem te wijzen op de noodzaak dit zelf te doen.  

De raad stelt vast dat verweerster zich heeft teruggetrokken omdat zij geen kans meer zag op een succesvolle uitkomst van het beroep. Gelet op de eerdere correspondentie waarin zij haar twijfels over de slagingskansen heeft gedeeld, acht de raad deze onttrekking toelaatbaar. De raad stelt voorop dat het een advocaat op grond van gedragsregel 14 vrijstaat om zijn werkzaamheden te beëindigen als de vertrouwensbasis is vervallen. Ook het verwijt over het doorgeven van verhinderdata treft geen doel, nu klager zelf had aangegeven geen verhinderdata te hebben en dat hier dus ook geen rekening mee hoefde worden te gehouden.  

Ten aanzien van de klacht over de adreswijziging oordeelt de raad dat verweerster bij haar onttrekking had moeten melden dat klager niet meer op zijn oude adres woonde en hem had moeten wijzen op het belang van het doorgeven van zijn nieuwe adres aan de rechtbank. Door dit na te laten, heeft verweerster onzorgvuldig gehandeld, waardoor klager niet op de zitting verscheen, omdat het oproepingsbericht klager niet heeft bereikt. De raad concludeert dat dit klachtonderdeel gegrond is. De raad stelt dat verweerster op dit punt onzorgvuldig heeft gehandeld en legt een waarschuwing op. 

ECLI:NL:TAHVD:2025:19: Berisping wegens rechtstreeks contact en onnodig grievende uitlatinge
Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerder wordt verweten dat hij in strijd met de gedragsregels rechtstreeks contact heeft opgenomen met de cliënten van klaagster en klaagster tijdens een zitting ten onrechte heeft beschuldigd van liegen.  

De raad stelt vast dat verweerder op 8 juli 2022 telefonisch contact heeft gehad met de cliënten van klaagster. Door vragen te stellen die relevant waren voor de zaak, heeft verweerder gehandeld in strijd met gedragsregel 25, die bepaalt dat een advocaat zich niet rechtstreeks tot een partij mag wenden die door een advocaat wordt bijgestaan. Daarnaast heeft verweerder tijdens een zitting van het gerechtshof klaagster beticht van liegen. Deze uitlatingen waren onnodig, niet functioneel en in strijd met gedragsregel 24, waarin is bepaald dat advocaten moeten streven naar een verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen. De raad acht beide klachtonderdelen gegrond en legt een berisping op.  

Verweerder stelt in hoger beroep dat de raad een incompleet beeld schetst over het telefonisch contact van 8 juli 2022 en dat de gestelde vragen niet relevant waren voor de zaak. Daarnaast betwist verweerder dat hij bij het gerechtshof gezegd heeft dat klaagster liegt. Het hof verwerpt de beroepsgronden van verweerder en bekrachtigt de beslissing van de raad. Het hof benadrukt dat verweerder ter zitting heeft bevestigd dat hij klaagster van liegen heeft beschuldigd. Daarmee heeft hij de grenzen van toelaatbare belangenbehartiging overschreden. Het hof acht de eerder opgelegde berisping passend en geboden. 

Samenvattingen (bron: tuchtcolleges) 

2. Eigen advocaat

4. Advocaten onderling