Update
Onder het kopje ‘Selectie uitspraken door de NOvA’ wordt toegelicht waarom de uitspraken zijn geselecteerd. Door te klikken op het ECLI-nummer wordt u doorgeleid naar de database NOvA Tuchtrecht Updates.
Onder het kopje ‘Samenvattingen’ vindt u de samenvattingen die door de tuchtcolleges ten behoeve van de publicatie zijn gemaakt. Deze samenvattingen zijn ook te vinden in de database NOvA Tuchtrecht Updates.
Selectie uitspraken door de NOvA
ECLI:NL:TADRAMS:2025:226: Berisping wegens herhaald liegen over cliëntenbezoeken en poging tot opstellen van valse verklaring
Deze zaak betreft een dekenbezwaar tegen een advocaat-stagiair. De deken verwijt verweerster dat zij herhaaldelijk heeft gelogen tegenover haar kantoor over bezoeken aan cliënten, is blijven volharden in die onjuiste verklaringen nadat zij daarmee werd geconfronteerd en zelfs van plan was een cliënt een onjuiste verklaring te laten ondertekenen ter bevestiging van een bezoek dat nooit had plaatsgevonden.
De raad stelt vast dat verweerster in februari 2025 tegenover haar kantoorgenoot heeft verklaard dat zij een cliënt op het politiebureau had bezocht, terwijl dit niet was gebeurd. Ook heeft zij in maart 2025 tegenover haar kantoorgenoten verklaard dat zij een cliënt had bezocht in het Justitieel Complex Schiphol, terwijl zij daar in werkelijkheid niet was geweest. Nadat haar kantoor navraag had gedaan en bleek dat haar bezoek niet geregistreerd stond, bleef verweerster aanvankelijk bij haar verklaring. Uiteindelijk heeft zij erkend dat zij deze cliënt niet had bezocht.
Naar het oordeel van de raad raken de leugens rechtstreeks de kern van de advocatuurlijke dienstverlening. Het bezoeken en bijstaan van cliënten behoort tot de kerntaken van een advocaat. Door onjuist te verklaren dat zij cliënten had bezocht, terwijl daarvan geen sprake was, heeft verweerster niet alleen haar kantoorgenoten misleid, maar ook het risico gecreëerd dat de belangen van de betreffende cliënten zouden worden geschaad. Daarmee heeft zij volgens de raad ernstig onprofessioneel en onbetrouwbaar gehandeld.
De raad oordeelt dat verweerster door haar handelwijze de in artikel 46 Advocatenwet neergelegde betamelijkheidsnorm heeft geschonden. Daarnaast heeft zij gehandeld in strijd met de kernwaarden integriteit en deskundigheid. Haar gedrag tast volgens de raad het vertrouwen in de advocatuur aan.
Hoewel verweerster inmiddels niet meer als advocaat werkzaam is, acht de raad een maatregel noodzakelijk. Daarbij weegt mee dat niet kan worden uitgesloten dat zij in de toekomst opnieuw in de advocatuur werkzaam zal zijn. In haar voordeel houdt de raad rekening met haar excuses, haar getoonde spijt en het feit dat zij ten tijde van de gedraging nog advocaat-stagiair was. De raad verklaart het dekenbezwaar gegrond en legt aan verweerster de maatregel van een berisping op.
ECLI:NL:TADRAMS:2025:224: Schorsing wegens schending Wwft-verplichtingen, tekortschieten als gezamenlijk echtscheidingsadvocaat en doorwerken tijdens schorsing
Deze zaak betreft een dekenbezwaar tegen een advocaat over zijn handelen in verschillende dossiers. De deken verwijt verweerder dat hij bij een aandelentransactie onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn cliënten en de herkomst en achtergrond van de transacties, zijn zware zorgplicht bij een gezamenlijke echtscheiding heeft geschonden, zijn facturen en kantoororganisatie niet op orde had en tijdens een eerdere schorsing is blijven doorwerken. De raad verklaart het dekenbezwaar in alle onderdelen gegrond.
Ten aanzien van de aandelentransactie oordeelt de raad dat verweerder werkzaamheden heeft verricht die onder de reikwijdte van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme vielen. Verweerder begeleidde de uitvoering en levering van aandelen in een onderneming en had daarom vooraf een cliëntenonderzoek moeten uitvoeren. Gelet op de strafrechtelijke verdenkingen tegen de verkoper en diens recente veroordeling wegens witwassen was bovendien een verscherpt cliëntenonderzoek vereist. Ook had verweerder moeten onderzoeken of de opdracht mogelijk strekte tot voorbereiding, ondersteuning of afscherming van onwettige activiteiten. Door dit na te laten heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
Daarnaast oordeelt de raad dat verweerder is tekortgeschoten in zijn zware zorgplicht als gezamenlijk echtscheidingsadvocaat. Op de advocaat die voor beide echtgenoten optreedt, rust de verplichting om zich ervan te vergewissen dat beide partijen het convenant begrijpen en eventuele concessies welbewust aanvaarden. Uit het dossier blijkt dat vrijwel alle communicatie uitsluitend via de man verliep en dat verweerder onvoldoende heeft vastgelegd of en hoe hij de belangen van de vrouw afzonderlijk heeft gewaarborgd. Evenmin heeft hij schriftelijk vastgelegd welke adviezen zijn gegeven of welke besprekingen hebben plaatsgevonden, terwijl op grond van gedragsregel 16 lid 1 belangrijke informatie en afspraken schriftelijk dienen te worden bevestigd. De raad acht daarom niet aannemelijk dat verweerder aan zijn verzwaarde zorgplicht heeft voldaan.
Verder stelt de raad vast dat verweerder zijn declaraties structureel onvoldoende transparant heeft ingericht. Werkzaamheden voor verschillende cliënten en dossiers werden geboekt op algemene dossiers, terwijl facturen niet of onvoldoende duidelijk op naam van de betreffende cliënten waren gesteld. Daardoor was niet inzichtelijk voor wie werkzaamheden werden verricht en wie als opdrachtgever moest worden beschouwd. Hiermee heeft verweerder gehandeld in strijd met gedragsregel 17 lid 2, gedragsregel 16 lid 1 en artikel 7.5 Voda. Volgens de raad raakt deze handelwijze bovendien aan de kernwaarden (financiële) integriteit.
Tot slot acht de raad bewezen dat verweerder tijdens een eerdere schorsing werkzaamheden als advocaat is blijven verrichten. Uit zijn eigen urenspecificaties blijkt dat hij zich gedurende de schorsingsperiode niet beperkte tot dossieroverdracht en intern overleg, maar inhoudelijk bleef werken aan onder meer een echtscheidingszaak, een belastinggeschil en een vastgoedtransactie. Ook heeft hij de deken niet volledig geïnformeerd over de lopende dossiers waarin tijdens de schorsing werkzaamheden werden verwacht. Daarmee heeft verweerder gehandeld in strijd met de aan een schorsing verbonden beperking.
De raad rekent verweerder zwaar aan dat er sprake is van meerdere, verschillende schendingen van fundamentele beroepsnormen. Daarbij weegt mee dat verweerder eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld wegens tekortschieten op het gebied van financiële integriteit. In zijn voordeel houdt de raad rekening met het aanzienlijke tijdsverloop, het feit dat de verweten gedragingen meer dan vijf jaar geleden hebben plaatsgevonden, zijn getoonde zelfinzicht en de maatregelen die hij inmiddels heeft genomen om zijn kantoororganisatie en werkwijze te verbeteren. De raad verklaart het dekenbezwaar volledig gegrond en legt verweerder een schorsing op van 26 weken, waarvan 13 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
ECLI:NL:TAHVD:2025:269: Hof bekrachtigt niet-ontvankelijkverklaring klacht en ongegrondverklaring klacht van de raad
Deze zaak betreft een klacht tegen de eigen advocaat, die klaagster in een erfrechtprocedure heeft bijgestaan. Klaagster verwijt verweerder onder meer dat hij een beroepsfout heeft gemaakt door geen boedelbeschrijving op te vragen, vertrouwelijke correspondentie met de wederpartij heeft gedeeld, haar onder druk heeft gezet om een schikking te accepteren en haar aansprakelijkstelling niet adequaat heeft afgehandeld. De raad van discipline verklaarde drie klachtonderdelen niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de klachttermijn en het vierde klachtonderdeel ongegrond. Klaagster stelde hierin hoger beroep in.
Het hof stelt voorop dat voor tuchtklachten een vervaltermijn van drie jaar geldt (artikel 46g lid 1 Advocatenwet). Die termijn begint te lopen zodra een klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat. Daarbij is niet van belang of de klager zich op dat moment al realiseert dat dit handelen mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar is.
Ten aanzien van de verwijten over het niet opvragen van een boedelbeschrijving, het doorsturen van correspondentie aan de advocaat van de wederpartij en de totstandkoming van een schikking in januari 2018, oordeelt het hof dat klaagster reeds in 2018 en uiterlijk in 2019 bekend was met de betreffende feiten. Uit de stukken blijkt bovendien dat zij in 2019 al aan verweerder had laten weten dat zij meende schade te hebben geleden door zijn handelen. Dat zij zich pas na het arrest van het gerechtshof Den Haag uit 2023 realiseerde welke nadelige gevolgen dit mogelijk voor haar had gehad, maakt dit niet anders. Volgens het hof is er geen sprake van de uitzonderingssituatie waarin de gevolgen van het handelen pas later bekend zijn geworden. De raad heeft deze klachtonderdelen daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het vierde klachtonderdeel ziet op de wijze waarop verweerder de aansprakelijkstelling van klaagster heeft afgehandeld. Klaagster verwijt verweerder dat hij haar onvoldoende heeft geïnformeerd over zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en de melding van haar claim. Het hof volgt de raad in het oordeel dat verweerder adequaat heeft gehandeld. Hoewel de aansprakelijkstelling niet direct aan de verzekeraar is doorgestuurd, heeft verweerder deze binnen een redelijke termijn gemeld, de naam van zijn verzekeraar verstrekt en bevestigd dat voor de claim dekking bestond. Bovendien geldt dat een advocaat niet verplicht is een klager rechtstreeks in contact te brengen met zijn verzekeraar wanneer hij de aansprakelijkheid betwist.
Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de raad. De niet-ontvankelijkverklaring van de eerste drie klachtonderdelen en de ongegrondverklaring van het vierde klachtonderdeel blijven daarom in stand. Het hof bekrachtigt de beslissing van de Raad van Discipline volledig.
ECLI:NL:TADRAMS:2025:233: Klachten tussen voormalige kantoorgenoten over gebruik van WhatsApp-berichten en negatieve uitlatingen ongegrond of niet-ontvankelijk
Deze zaken betreffen oven en weer ingediende klachten tussen twee advocaten die eerder bij hetzelfde kantoor werkzaam waren. Nadat meerdere advocaten het kantoor hadden verlaten, ontstonden civiele procedures waarin een van de voormalige kantoorgenoten WhatsApp-berichten van de ander gebruikte. Beide advocaten verwijten elkaar vervolgens tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
In de eerste klacht verwijt een voormalig kantoorgenoot zijn voormalige werkgever dat deze zich onrechtmatig toegang heeft verschaft tot vertrouwelijke WhatsApp-communicatie en deze berichten vervolgens heeft gebruikt in civiele procedures en in de tuchtprocedure.
De raad stelt vast dat de betreffende berichten inderdaad op onrechtmatige wijze zijn verkregen. De civiele rechter had echter reeds geoordeeld dat deze berichten, ondanks de wijze van verkrijging, als bewijs mochten worden gebruikt omdat zij relevant waren voor de waarheidsvinding. De raad sluit daarbij aan en overweegt dat uit de berichten juist het vermeende onrechtmatige handelen van de klager bleek en dat dit op geen andere wijze kon worden aangetoond. In de gegeven omstandigheden acht de raad het gebruik van de berichten niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Evenmin is gebleken dat hierdoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard. Voor zover mede namens het nieuwe kantoor en de andere partners was geklaagd, worden zij wegens het ontbreken van een rechtstreeks belang niet-ontvankelijk verklaard.
In de tweede klacht verwijten de voormalig werkgever en diens voormalige kantoor de andere advocaat onder meer dat hij facturen niet zou hebben geïnd, ongeoorloofd kortingen zou hebben verleend, zakelijke belangen zou hebben gehad in ondernemingen van cliënten en cliënten zou hebben geadviseerd niet te betalen. De raad oordeelt echter dat het inmiddels ontbonden kantoor geen klacht meer kan indienen en daarom niet-ontvankelijk is. Ook de voormalig bestuurder heeft volgens de raad geen rechtstreeks, maar hooguit een afgeleid belang bij deze verwijten. Om deze reden worden deze klachtonderdelen eveneens niet-ontvankelijk verklaard.
Het enige inhoudelijk beoordeelde verwijt betreft uitlatingen die de advocaat na zijn overstap naar een ander kantoor in privé-WhatsApp-berichten had gedaan. Daarin schreef hij onder meer dat hij “een coup had gepleegd” en dat zijn voormalige werkgever nu “in zijn eentje aan zijn ballen zat te krabben”. Hoewel de raad deze uitlatingen weinig fraai acht, zijn zij volgens de raad gedaan in besloten kring en waren zij niet bedoeld voor openbaarmaking. Onder die omstandigheden leveren de berichten geen schending op van hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt en is van aantasting van het vertrouwen in de advocatuur geen sprake.
De raad verklaart de inhoudelijk beoordeelde klachtonderdelen ongegrond. De overige klachtonderdelen worden wegens het ontbreken van een rechtstreeks belang of het ontbreken van een bestaande rechtspersoon niet-ontvankelijk verklaard. Er wordt aan geen van beide advocaten een maatregel opgelegd.
Samenvattingen (bron: tuchtcolleges)
2. Eigen advocaat
-
Raad van Discipline Amsterdam
Raadsbeslissing; dekenbezwaar in alle onderdelen gegrond. Verweerster heeft bij herhaling tegen haar kantoorgenoten, waaronder haar patroon, gelogen over haar bezoeken aan cliënten. Door het liegen over de kerndienstverlening van de advocaat, namelijk rechtsbijstand aan de cliënt, heeft verweerster niet alleen ernstig onprofessioneel en onbetrouwbaar gehandeld ten opzichte van haar kantoorgenoten, maar is zij bovendien vergaand tekortgeschoten in haar zorgplicht ten opzichte van de cliënten die op haar bijstand rekenden. Door dit handelen heeft verweerster de in artikel 46 van de...
2025-12-15
(Zaaknummer: 25-571/A/NH/D, ECLI:NL:TADRAMS:2025:226, TR-2025-1179) -
Raad van Discipline Amsterdam
Raadsbeslissing; dekenbezwaar in alle onderdelen gegrond. Verweerder heeft in de eerste plaats bij zijn bijstand in de aandelenoverdracht niet voldaan aan de verplichtingen in de Wwft en in de Voda door geen (verscherpt) cliëntonderzoek te verrichten. In de tweede plaats heeft verweerder niet voldaan aan de zware zorgplicht die op hem rustte door als enige advocaat op te treden voor twee partijen om een echtscheiding tot stand te brengen. Daarbij heeft verweerder bovendien nagelaten belangrijke afspraken schriftelijk vast te leggen,...
2025-12-15
(Zaaknummer: 25-445/A/A/D, ECLI:NL:TADRAMS:2025:224, TR-2025-1187)
10. Procesrecht
-
Hof van Discipline
Klacht over de eigen advocaat. Bekrachtiging beslissing raad. Het hof stelt, net als de raad, voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet voor het indienen van een klacht een vervaltermijn geldt van drie jaar vanaf het moment dat de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Voor het aanvangen van de termijn van artikel 46g lid 1 Advocatenwet is...
2025-12-22
(Zaaknummer: 240379, ECLI:NL:TAHVD:2025:269, TR-2025-1190) -
Raad van Discipline Amsterdam
Raadsbeslissing. Klachten van advocaten over advocaten (over en weer) zijn deels niet-ontvankelijk wegens gebrek aan rechtstreeks belang en deels ongegrond. Uitgangspunt is dat ook in tuchtrechtelijke aangelegenheden waarheidsvinding prevaleert en daardoor relevante informatie niet snel buiten beschouwing zal worden gelaten. De raad ziet geen aanleiding of bijzondere omstandigheden op grond waarvan anders zou moeten worden geoordeeld. Dat mr. DW zich toegang heeft verschaft tot de WhatsAppconversatie van mr. K, en deze informatie vervolgens heeft ingebracht in de procedures, wordt naar...
2025-12-22
(Zaaknummer: 25-365/A/A, ECLI:NL:TADRAMS:2025:233, TR-2025-1198)
