Update
In de vakantieperiode zal er geen nieuwsbrief verschijnen. Wij wensen u een goede zomer en op donderdag 3 september 2026 zal nummer 16 verschijnen.
Onder het kopje ‘Selectie uitspraken door de NOvA’ wordt toegelicht waarom de uitspraken zijn geselecteerd. Door te klikken op het ECLI-nummer wordt u doorgeleid naar de database NOvA Tuchtrecht Updates.
Onder het kopje ‘Samenvattingen’ vindt u de samenvattingen die door de tuchtcolleges ten behoeve van de publicatie zijn gemaakt. Deze samenvattingen zijn ook te vinden in de database NOvA Tuchtrecht Updates.
Selectie uitspraken door de NOvA
ECLI:NL:TADRSGR:2025:224: Waarschuwing wegens onjuiste uitlating over erkenning kind en uitblijven reactie op voorstel tot verrekening
Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij in een familiezaak. Klager verwijt verweerster onder meer dat zij ten onrechte heeft gesteld dat hij zijn in Canada geboren kind niet had erkend, onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn woonsituatie, niet heeft gereageerd op zijn verzoek om een herberekening van financiële verrekeningen en haar cliënte zou hebben geadviseerd een verzekeringsuitkering achter te houden.
De raad stelt vast dat verweerster in correspondentie zonder voorbehoud heeft gesteld dat klager het kind niet had erkend. Achteraf is gebleken dat naar Canadees recht de vermelding van klager als vader op de geboorteakte voldoende was om hem als juridische vader aan te merken. Gezien de omstandigheden van het geval, waaronder het feit dat klager als vader op de geboorteakte stond vermeld, het kind de achternaam van klager droeg en dat de ouders een affectieve relatie hadden, had verweerster nader onderzoek moeten doen naar de Canadese regels over erkenning voordat zij deze stellige conclusie trok. Door dit na te laten heeft verweerster volgens de raad haar onderzoeksplicht geschonden en de belangen van klager onnodig geschaad. Daarbij heeft haar standpunt bijgedragen aan verdere polarisatie tussen de ouders. Dit klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.
Daarnaast verwijt klager verweerster dat zij niet heeft gereageerd op klagers bezwaren tegen een door haar voorgestelde verrekening. Nadat de voorzieningenrechter partijen had aangespoord om in overleg te treden over de financiële afwikkeling, had verweerster zelf een voorstel gedaan. Toen klager daarop inhoudelijk reageerde en om een aangepaste berekening vroeg, heeft verweerster ondanks een rappèl niet meer gereageerd. Hoewel een advocaat niet altijd verplicht is inhoudelijk op berichten van de wederpartij te reageren, mocht in deze omstandigheid wel worden verwacht dat zij ten minste zou laten weten of de bezwaren al dan niet tot een ander standpunt van haar cliënte leidden. Door helemaal niet te reageren heeft zij klager onnodig in onzekerheid gelaten. Ook dit klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.
De verwijten over de woonstatus van klager en het vermeende advies aan de cliënte van verweerster om een verzekeringsuitkering achter te houden, zijn onvoldoende onderbouwd. De raad kan niet vaststellen dat deze gedragingen hebben plaatsgevonden en verklaart deze klachtonderdelen ongegrond.
De raad concludeert dat verweerster in deze familiekwestie onvoldoende zorgvuldig en polariserend heeft gehandeld door zonder nader onderzoek een onjuiste stelling in te nemen en vervolgens niet te reageren op een verzoek tot verdere afstemming over de financiële verrekening. Gelet op de aard van de gedragingen acht de raad een waarschuwing passend.
ECLI:NL:TAHVD:2025:227: Waarschuwing wegens onvoldoende hoor en wederhoor bij klokkenluidersonderzoek
Deze zaak betreft een klacht van een klokkenluider tegen twee advocaat-onderzoekers die in opdracht van een waterschap onderzoek hebben gedaan naar de afhandeling van de melding van klager van een misstand. Klager verwijt verweerders dat zij in hun rol als onderzoekers niet correct jegens klager hebben gehandeld, onder meer door schending van gedragsregels 8 en 12 (onjuiste informatie verstrekken en onzorgvuldig handelen) en schending van de zorgplicht.
Naar het oordeel van de raad voldeden het onderzoek en de rapportage aan de daaraan te stellen eisen, waardoor alle klachtonderdelen ongegrond zijn verklaard. Klager is in hoger beroep gekomen en voert onder meer aan dat hij door verweerders niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op de conclusies en aanbevelingen in het conceptrapport.
Het hof oordeelt dat het onderzoeksprotocol op het punt van hoor en wederhoor onvoldoende duidelijk was. Klager heeft uitsluitend kunnen reageren op de door verweerders vastgestelde feiten in de eerste vier hoofdstukken van het rapport, terwijl het definitieve rapport daarnaast nog een substantieel deel met conclusies en aanbevelingen bevatte. Daardoor werd klager verrast door conclusies in het eindrapport die hij niet eerder onder ogen had gekregen.
Volgens het hof is hoor en wederhoor bij dit type onderzoek van groot belang, mede omdat de conclusies van het onderzoek juridische consequenties konden hebben voor de arbeidsrelatie van klager. Verweerders konden daarom niet volstaan met het enkel voorhouden van de feitelijkheden zonder de (uitgebreide) delen met conclusies en aanbevelingen. Het rapport is daardoor niet voldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Het hof volgt klager echter niet in zijn verwijt dat de inhoudelijke conclusies in het eindrapport onjuist of onbegrijpelijk waren. Het was aan verweerders om uit de vele feitelijkheden hun conclusies te trekken en aanbevelingen op te stellen. Niet gebleken is dat deze conclusies zodanig onbegrijpelijk zijn dat deze niet getrokken hadden kunnen worden.
Omdat verweerders ontoereikend hebben gehandeld in hun communicatie naar klager en het rapport daardoor onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen, vernietigt het hof de beslissing van de raad voor zover deze betrekking heeft op dit klachtonderdeel en verklaart dit onderdeel alsnog gegrond. Het hof legt aan beide verweerders de maatregel van een waarschuwing op.
ECLI:NL:TADRSGR:2025:223: Klacht ongegrond: advocaat handelde als privépersoon bij geschil over aankoop auto
Deze zaak betreft een klacht tegen een advocaat die als koper betrokken was bij een geschil over de aankoop van een auto. Klager verwijt verweerder belangenverstrengeling doordat hij zich liet bijstaan door een kantoorgenoot, misbruik van zijn beroepstitel en machtspositie en het ten onrechte en op intimiderende wijze proberen te innen van een vordering.
De raad stelt voorop dat eerst moet worden beoordeeld of verweerder handelde als advocaat of als privépersoon. De raad oordeelt dat verweerder in deze kwestie enkel als privépersoon heeft gehandeld en acht daarbij van belang dat verweerder heeft verklaard dat hij de auto als privépersoon heeft gekocht en dat hij deze ook op zijn eigen naam heeft laten registreren. In het bericht van 17 januari 2023 heeft verweerder bovendien expliciet aangegeven niet als advocaat te handelen. Dat de betaling van de auto via de kantoorrekening liep, een brief van verweerder op kantoorpapier was verzonden en verweerder per abuis als contactpersoon bij een betekening van de deurwaarder stond vermeld, maakt dat niet anders. Voor klager moest voldoende duidelijk zijn dat verweerder optrad als koper en dat zijn kantoorgenoot als zijn advocaat handelde.
Omdat verweerder enkel als privépersoon heeft opgetreden, is het advocatentuchtrecht niet volledig van toepassing. De raad beperkt zijn oordeel daarom tot de vraag of verweerder het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Volgens de raad heeft verweerder het vertrouwen in de advocatuur niet geschaad door zich te laten bijstaan door zijn kantoorgenoot, de koopovereenkomst te willen ontbinden, conservatoir beslag aan te kondigen of zich het recht voor te behouden aangifte te doen. Evenmin is gebleken dat verweerder dit voorbehoud heeft gemaakt als ongeoorloofd pressiemiddel. De raad verklaart de klacht daarom in het geheel ongegrond.
ECLI:NL:TAHVD:2025:224: Niet-ontvankelijkheid klacht: alleen rechtstreeks betrokken persoon kan klagen over onheuse bejegening
Deze zaak betreft een klacht van een politieambtenaar over een advocaat, zonder dat deze zelf partij is. De klacht hield in dat verweerder zich tijdens een woordenwisseling in het cellencomplex van de rechtbank onnodig grievend en onbeschoft zou hebben uitgelaten tegenover een politieambtenaar. Volgens de klacht zou verweerder onder meer beledigende opmerkingen hebben gemaakt over de intelligentie van de politieambtenaar en haar op onrespectvolle wijze hebben bejegend.
De klacht is door de lokale deken ingediend namens de korpschef politie. De raad heeft de klacht niet-ontvankelijk verklaard omdat niet de politieambtenaar zelf, maar de korpschef namens de politieorganisatie had geklaagd. Volgens vaste tuchtrechtelijke jurisprudentie komt het klachtrecht in beginsel alleen toe aan degene die rechtstreeks in een eigen belang is getroffen door het verweten handelen.
In hoger beroep voert de korpschef aan dat de klacht oorspronkelijk door de politieambtenaar zelf was ingediend en dat de deken vervolgens verzocht de klacht namens de politieorganisatie in te dienen. Volgens de korpschef had de raad daarom de klacht inhoudelijk moeten behandelen.
Het hof volgt dit standpunt niet. Het hof benadrukt dat het persoonlijke karakter van het advocatentuchtrecht meebrengt dat alleen degene die zelf onheus is bejegend hierover kan klagen (HvD 2 maart 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:66). Het belang van de politieorganisatie om haar medewerkers beschermd en met respect behandeld te zien worden, is volgens het hof slechts een afgeleid belang en geen rechtstreeks eigen belang. Daarom komt de korpschef geen zelfstandig klachtrecht toe ter zake van de gestelde belediging van de politieambtenaar.
Dat de klacht op aanwijzing van de deken namens de politieorganisatie is ingediend, maakt dit oordeel niet anders. Het hof merkt daarbij op dat de politieambtenaar inmiddels zelf een klacht heeft ingediend, zodat haar klacht alsnog inhoudelijk door de tuchtrechter kan worden beoordeeld. Het hof bekrachtigt daarom de beslissing van de raad en verklaart de klacht ingediend door de korpschef niet-ontvankelijk. Daardoor komt de tuchtrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de gestelde uitlatingen van verweerder.
Samenvattingen (bron: tuchtcolleges)
1. Wat een behoorlijk advocaat betaamt
3. Advocaat wederpartij
6. Optreden advocaat in andere hoedanigheid
-
Raad van Discipline 's-Gravenhage
Raadsbeslissing. Verweerder heeft gehandeld als privépersoon bij de aankoop van en procedure over een auto. Geen schending van het vertrouwen in de advocatuur door zich te laten bijstaan door zijn kantoorgenoot. Het was voor klager redelijkerwijs duidelijk in welke hoedanigheid verweerder handelde. Ook kon verweerder als privépersoon aankondigen conservatoir beslag te willen leggen onder klager. Klacht ongegrond.
2025-11-10
(Zaaknummer: 25-167/DH/RO, ECLI:NL:TADRSGR:2025:223, TR-2025-1069) -
Hof van Discipline
Deze procedure betreft een klacht die is ingediend door een klokkenluider tegen advocaat-onderzoekers die onderzoek hebben gedaan naar de melding van die klokkenluider. De Raad van Discipline heeft geoordeeld dat het door verweerders verrichte onderzoek en de naar aanleiding daarvan uitgebrachte rapportage voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het Hof van Discipline is van oordeel dat het door verweerders opgestelde onderzoeksprotocol op het punt van hoor en wederhoor onvoldoende duidelijk was en dat verweerders hadden moeten begrijpen dat zij...
2025-11-10
(Zaaknummer: 240268, ECLI:NL:TAHVD:2025:227, TR-2025-1028)
