Update
Onder het kopje ‘Selectie uitspraken door de NOvA’ wordt toegelicht waarom de uitspraken zijn geselecteerd. Door te klikken op het ECLI-nummer wordt u doorgeleid naar de database NOvA Tuchtrecht Updates.
Onder het kopje ‘Samenvattingen’ vindt u de samenvattingen die door de tuchtcolleges ten behoeve van de publicatie zijn gemaakt. Deze samenvattingen zijn ook te vinden in de database NOvA Tuchtrecht Updates.
Selectie uitspraken door de NOvA
ECLI:NL:TAHVD:2025:161: Herzieningsverzoek grotendeels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond
Deze zaak betreft een verzoek tot herziening van de beslissing van het hof van 17 januari 2025, waarin het hof – na gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van de raad – aan verzoeker een schorsing van 26 weken heeft opgelegd, waarvan 13 weken voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarde van een coachingtraject. Verzoeker heeft verzocht om herziening van de beslissing van het hof en voert onder meer aan dat fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden (ne bis in idem-beginsel en recht op een eerlijk proces), dat sprake is van een novum en dat het hof onvoldoende is ingegaan op zijn verweren.
Het hof stelt voorop dat de Advocatenwet geen mogelijkheid tot het instellen van gewone rechtsmiddelen kent tegen een beslissing van het hof en evenmin voorziet in de mogelijkheid tot herziening. Een herzieningsverzoek is daarom in beginsel niet-ontvankelijk, behoudens de uitzonderingen zoals geformuleerd in het herzieningsprotocol. Het hof oordeelt dat van een novum geen sprake is, nu het standpunt van de deken reeds in de eerdere procedure bekend was. De aangevoerde klachten over motivering leveren, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad die het hof overeenkomstig toepast, geen schending van een fundamenteel rechtsbeginsel op, zodat verzoeker in zoverre niet-ontvankelijk is.
Voor zover verzoeker zich beroept op schending van het ne bis in idem-beginsel, omdat hij is geschorst zowel op grond van artikel 60ab Advocatenwet als op grond van het dekenbezwaar voor dezelfde feiten, overweegt het hof dat een verzoek tot schorsing op grond van artikel 60ab (met uitzondering van een situatie als bedoeld in het tweede lid) per definitie samenhangt met het dekenbezwaar. De 60ab-schorsing is een spoedvoorziening en een ordemaatregel, geen tuchtrechtelijke maatregel, en vervalt van rechtswege zodra de tuchtrechtelijke beslissing op het dekenbezwaar in kracht van gewijsde is gegaan. Omdat het 60ab-verzoek en het dekenbezwaar één samenhangend geheel vormen, gaat het niet om twee verschillende tuchtrechtelijke berechtingen. Het hof overweegt verder dat uit de memorie van toelichting blijkt dat de tuchtrechter de vrijheid heeft om de duur van een 60ab-schorsing in mindering te brengen op een latere schorsing, maar daartoe niet verplicht is. Het standpunt van verzoeker dat altijd verrekening moet plaatsvinden is daarom onjuist. Het beroep op het ne bis in idem-beginsel slaagt niet en het hof verklaart het herzieningsverzoek voor het overige dan ook ongegrond.
ECLI:NL:TADRARL:2025:215: Gedeeltelijk gegronde klacht wegens schending geheimhoudingsplicht richting verzekeraar, zonder maatregel
Deze zaak betreft een klacht van een cliënte tegen haar advocaat over diens communicatie met haar rechtsbijstandsverzekeraar en de wijze waarop hij haar zaak heeft behandeld. Klaagster verwijt verweerder onder meer dat hij buiten haar om met de verzekeraar heeft gecorrespondeerd, haar vrije advocaatkeuze zou hebben beperkt, zonder haar toestemming derden heeft benaderd en niet deskundig zou hebben gehandeld.
De raad stelt vast dat verweerder inhoudelijk heeft gecommuniceerd met de rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster over de (haalbaarheid van de) zaak, zonder dat daarvoor toestemming van klaagster was. Een advocaat is gebonden aan een strikte geheimhoudingsplicht jegens zijn cliënt. Dit geldt evenzeer tegenover een verzekeraar die de rechtsbijstand financiert. De raad oordeelt dat verweerder deze plicht heeft geschonden door de inhoud van de zaak met de verzekeraar te delen zonder voorafgaande toestemming en zonder de betreffende correspondentie eerst aan klaagster voor te leggen. Dit klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.
Voor het overige worden de klachten ongegrond verklaard. Niet is gebleken dat verweerder klaagster heeft beperkt in haar vrije advocaatkeuze. Ook heeft verweerder de strategie wel met klaagster besproken en mocht hij in het kader van die strategie informatie delen met een deskundige. Dat klaagster het niet eens is met de gekozen aanpak, betekent niet dat verweerder ondeskundig heeft gehandeld. Verder rustte op verweerder geen verplichting om interne afspraken tussen zijn kantoor en de verzekeraar aan klaagster te verstrekken.
De raad acht het handelen van verweerder wel tuchtrechtelijk verwijtbaar, maar houdt rekening met de beperkte ernst van de schending en het feit dat verweerder in de veronderstelling verkeerde dat hij toestemming had. Nu er weinig vertrouwelijke informatie is gedeeld en verweerder niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, wordt volstaan met een gegrondverklaring zonder oplegging van maatregel.
ECLI:NL:TADRAMS:2025:161: Verzet ongegrond: geen twijfel aan juiste toepassing maatstaf door voorzitter
Deze zaak betreft een verzet tegen een voorzittersbeslissing waarbij een klacht tegen een advocaat ongegrond was verklaard. Klager kon zich niet verenigen met deze beslissing en heeft verzet ingesteld, zonder daarbij op te komen tegen de vastgestelde feiten of de klachtomschrijving.
De raad stelt voorop dat verzet alleen gegrond kan zijn indien er redelijke twijfel bestaat over de juistheid van de beslissing van de voorzitter, bijvoorbeeld vanwege een onjuiste maatstaf of onvolledige feitelijke grondslag. Naar het oordeel van de raad is daarvan geen sprake. De voorzitter heeft de juiste toetsingsmaatstaf gehanteerd en alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling betrokken.
Daarnaast leveren de door klager aangevoerde gronden geen nieuwe gezichtspunten op die tot een andere beoordeling zouden moeten leiden. Er is daarom geen aanleiding voor nader onderzoek naar de klacht. De raad verklaart het verzet ongegrond.
De raad kwam diezelfde dag in een vergelijkbare zaak tot een gelijkluidende beslissing (ECLI:NL:TADRAMS:2025:160).
Samenvattingen (bron: tuchtcolleges)
