Naar boven ↑

Update

Nummer 10, 2026
Uitspraken van tot


Onder het kopje ‘Selectie uitspraken door de NOvA’ wordt toegelicht waarom de uitspraken zijn geselecteerd. Door te klikken op het ECLI-nummer wordt u doorgeleid naar de database NOvA Tuchtrecht Updates.  

Onder het kopje ‘Samenvattingen’ vindt u de samenvattingen die door de tuchtcolleges ten behoeve van de publicatie zijn gemaakt. Deze samenvattingen zijn ook te vinden in de database NOvA Tuchtrecht Updates.  

Selectie uitspraken door de NOvA  

ECLI:NL:TADRARL:2025:188: Berisping wegens beroepsfout bij conservatoir beslag 
Deze zaak betreft een klacht tegen de eigen advocaat over diens advisering en handelswijze bij het leggen van conservatoir beslag in een aandeelhoudersgeschil binnen een familie-erfeniskwestie. Klaagster verwijt verweerder dat hij haar onjuist heeft geadviseerd over het leggen en het voortbestaan van conservatoire beslagen, haar onjuist heeft geadviseerd over een procedure bij de Ondernemingskamer en excessief heeft gedeclareerd.  

De kern van de klacht ziet op het door verweerder namens klaagster gelegde conservatoire derdenbeslag onder de bank van een vennootschap. De raad stelt vast dat verweerder, nadat verlof tot beslaglegging was verkregen, heeft nagelaten een deugdelijke eis in de hoofdzaak te stellen zoals vereist op grond van artikel 700 lid 3 Rv. Verweerder heeft geen geldvordering ingesteld, waardoor het beslag niet in stand kon blijven en uiteindelijk door de voorzieningenrechter is opgeheven. Verweerder heeft erkend dat een eis in de hoofdzaak is uitgebleven en heeft dit vooraf niet met klaagster afgestemd. De raad oordeelt dan ook dat verweerder klaagster onjuist heeft geadviseerd over de beslaglegging. Het nalaten om een eis in de hoofdzaak te stellen kwalificeert als een beroepsfout die direct raakt aan de kernwaarde deskundigheid. Dit klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.  

Ten aanzien van het verwijt dat verweerder klaagster onjuist zou hebben geadviseerd over het instellen en voeren van een procedure bij de Ondernemingskamer oordeelt de raad dat geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden vastgesteld. Dat het verzoek is afgewezen, betekent niet zonder meer dat het advies onjuist was. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard. 

Ook het verwijt van excessief declareren faalt. De raad stelt voorop dat declaratiegeschillen niet door de tuchtrechter worden beslecht, tenzij sprake is van buitensporig of evident onredelijk declareren. Van een dergelijke wanverhouding tussen de verrichte werkzaamheden en de gedeclareerde uren is niet gebleken. Ook dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard. De raad verklaart de klacht dus gedeeltelijk gegrond. Gelet op de aard en ernst van het vastgestelde beroepsverzuim acht de raad de maatregel van berisping passend.  

ECLI:NL:TADRSGR:2025:157: Waarschuwing wegens tekortschieten in informatievoorziening, voortvarendheid en advisering 
Deze zaak betreft een klacht tegen de eigen advocaat. Klaagster heeft verweerster ingeschakeld voor bijstand in een geschil over ondeugdelijk uitgevoerde verbouwingswerkzaamheden. Klaagster verwijt verweerster dat zij onvoldoende inzicht heeft geboden in de strategie en risico’s, niet voortvarend heeft gehandeld bij het verkrijgen van een deskundigenrapport en haar onvoldoende heeft geïnformeerd over (proces)kosten en de kansen en risico’s van hoger beroep. 

De raad stelt vast dat verweerster belangrijke informatie en afspraken niet schriftelijk heeft vastgelegd, waardoor niet kan worden vastgesteld dat verweerster klaagster (voldoende) heeft geïnformeerd en geadviseerd. Ook heeft verweerster onvoldoende voortvarendheid betracht bij het verkrijgen van het definitieve deskundigenrapport, heeft zij zich niet gehouden aan gemaakte prijsafspraken en heeft zij klaagster niet geïnformeerd over een mogelijke proceskostenveroordeling. De raad acht daarnaast het advies van verweerster over hoger beroep bijzonder summier; het advies gaf geen duidelijkheid over kansen en risico’s. Deze klachtonderdelen worden daarom gegrond verklaard. 

Ten aanzien van het inhoudelijke verwijt van klaagster dat ziet op de ingebrekestelling en ontbinding van de overeenkomst, overweegt de raad dat de tuchtrechter niet bevoegd is om te oordelen over de haalbaarheid van de door partijen ingenomen standpunten in de achterliggende civielrechtelijke procedure. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.  

De raad acht de maatregel van waarschuwing passend, mede gelet op het blanco tuchtrechtelijk verleden van verweerster en de omstandigheid dat zij (deels) heeft erkend niet correct te hebben gehandeld, met name door adviezen en afspraken niet vast te leggen. 

ECLI:NL:TADRSGR:2025:159: Waarschuwing wegens onvoldoende communicatie en dossierbeheer 
Deze zaak betreft een klacht tegen de eigen advocaat. Verweerder heeft klager bijstand verleend in een geschil met een samenwerkingspartner over de financiële afwikkeling van het samenwerkingsverband. Klager verwijt verweerder onder meer dat hij geen tegeneis heeft ingediend, aangeleverde bewijsstukken niet heeft ingebracht, hem onvoldoende heeft betrokken bij de strategie, stukken is kwijtgeraakt en onvoldoende heeft gereageerd op verzoeken en klachten. 

De raad stelt vast dat verweerder klager onvoldoende heeft meegenomen in de afweging om geen eis in reconventie in te stellen en dat hij het vervolgens niet schriftelijk heeft vastgelegd. Ook heeft verweerder nagelaten met klager te bespreken waarom door klager aangeleverde stukken, waaronder een overzicht van de accountant, niet zijn gebruikt. Daarnaast is verweerder een door klager verstrekte map met stukken kwijtgeraakt, die hij pas bij het opruimen en verhuizen van zijn kantoor heeft teruggevonden, hetgeen de raad slordig en onzorgvuldig acht. Ook heeft verweerder na overdracht van het dossier niet of nauwelijks gereageerd op verzoeken om stukken en op klachten van klager. De overige verwijten heeft klager volgens de raad niet voldoende geconcretiseerd en onderbouwd. 

De raad oordeelt dat verweerder op meerdere punten tekort is geschoten in de zorg die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De raad is van oordeel dat de maatregel van waarschuwing passend is. 

ECLI:NL:TADRAMS:2025:124: Gegrondverklaring, maar geen maatregel wegens rauwelijks dagvaarden en onjuiste weergave van feiten 
Deze zaak betreft een klacht van een moeder tegen de advocaat van haar dochter in een familiegeschil over een bankrekening. Verweerder nam tijdens het zwangerschapsverlof van zijn kantoorgenote de praktijk waar. Na een sommatie van 16 januari 2024 heeft klaagster op 24 januari 2024 per aangetekende brief aan verweerder erkend dat zij het gevorderde bedrag verschuldigd was, maar verzocht zij om overleg en uitstel wegens betalingsonmacht. Verweerder heeft op deze brief niet gereageerd. Vervolgens is klaagster op 23 april 2024 gedagvaard. In de dagvaarding is opgenomen dat “tot op heden niet van klaagster, noch van haar advocaat, is vernomen.” 

De raad stelt vast dat verweerder bekend had moeten zijn met de brief van klaagster van 24 januari 2024, die bovendien aantoonbaar door zijn kantoor was ontvangen. Door daarop niet te reageren en zonder nadere aankondiging tot dagvaarden over te gaan, is sprake van rauwelijks dagvaarden. Dat acht de raad tuchtrechtelijk verwijtbaar, temeer gelet op de gevoelige familiaire verhoudingen en het feit dat klaagster bereidheid tot overleg had getoond. De omstandigheid dat de cliënte van verweerder aandrong op snelle betaling en dat er sprake was van een langere voorgeschiedenis, doet hieraan niet af. Verweerder had ten minste kort moeten reageren en kunnen aankondigen dat alsnog zou worden gedagvaard.  

Daarnaast acht de raad het slordig en onzorgvuldig dat in de dagvaarding is vermeld dat niets van klaagster was vernomen, terwijl dit feitelijk onjuist was. Daarmee heeft verweerder onjuiste informatie in een processtuk opgenomen. De klacht wordt daarom gegrond verklaard. De raad ziet echter af van het opleggen van een maatregel. Daarbij weegt mee dat verweerder ter zitting heeft erkend dat hij de brief van klaagster heeft gemist, dat hij onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat hij anders had moeten handelen. Ook is niet gebleken dat het handelen van verweerder heeft geleid tot nodeloze procedures of concrete gevolgen voor klaagster.

Samenvattingen (bron: tuchtcolleges) 

2. Eigen advocaat

3. Advocaat wederpartij