Rechtspraak
Raadsbeslissing. Samenhang met beslissing op klachten 25-009 en 26-453/DB/ZWB. Gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten ter zake van het optreden van verweerder tijdens zijn piketdienst, het optreden van verweerder in het schuldbemiddelingstraject van mevrouw Z en de daarmee samenhangende klacht, het optreden van verweerder bij de afwikkeling van de (klacht-)zaak van mevrouw G, de communicatie met en het verlenen van medewerking aan onder andere de deken en de naleving van de regelgeving ter zake derdengelden. De in de onderhavige dekenbezwaren gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten rechtvaardigen oplegging van een zware maatregel. Verweerder heeft gedurende lange periode en op meerdere manieren het vertrouwen in de advocatuur geschaad. De raad is van oordeel dat de door verweerder geschetste persoonlijke omstandigheden geen rechtvaardiging vormen voor de gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten. Verweerders handelwijze is temeer verwijtbaar omdat hem eerder, na de behandeling van het dekenbezwaar op 24 februari 2025, uitdrukkelijk de gelegenheid is geboden zijn gedrag te verbeteren en hij heeft toegezegd dat ook te zullen doen. Van de beloofde verbetering is echter niet gebleken, terwijl verweerder met zijn houding ter zitting van de raad er geen blijk van heeft gegeven het laakbare van zijn handelen daadwerkelijk in te zien. Gelet op de samenhang met de klachten in de klachtzaken 26-453/DB/ZWB en 25-009/DB/ZWB, waarin door de raad bij beslissingen van vandaag aan verweerder een voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee weken respectievelijk een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van zes weken worden opgelegd, zal de raad in de onderhavige beslissing op de dekenbezwaren volstaan met oplegging van een schorsing voor de duur van 26 weken, waarvan 13 weken voorwaardelijk.
