Rechtspraak
Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Om te beoordelen of de door klager gewenste hoger beroepsprocedure kans van slagen heeft, is het – in het licht van de overwegingen van de rechtbank (zoals opgenomen in randnummer 2.4) – begrijpelijk dat de deken aan klager heeft gevraagd zijn vorderingen te onderbouwen met documenten. Op die wijze kon de deken beoordelen of het instellen van hoger beroep een redelijke kans van slagen had. Het hof stelt vast dat klager dat niet heeft gedaan ondanks een herhaalde uitnodiging daartoe van de deken. Zoals volgt uit de door deken aangehaalde uitspraak van het hof (HvD 24 augustus 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:276), dient de aanvrager van een aanwijzingsverzoek de informatie aan te leveren die nodig is om op het verzoek te kunnen beslissen. Deze verplichting houdt in dat er niet alleen aan de deken informatie verstrekt dient te worden, maar dat die informatie ook geordend moet zijn en van een duidelijke uitleg moet zijn voorzien. Hiermee wordt de deken in staat gesteld een goede afweging te maken en gemotiveerd te beslissen. De stukken die klager in de beklagprocedure heeft overgelegd (en wat klager in dat kader daarover heeft aangevoerd) geven onvoldoende duidelijkheid of klager in hoger beroep wel aan zijn stelplicht zal kunnen voldoen. Of een hoger beroepsprocedure een redelijke kans van slagen heeft, blijft daardoor niet toetsbaar.
