Naar boven ↑

Rechtspraak

Deze procedure betreft een klacht die is ingediend door klaagster jegens vier verweerders allen van hetzelfde kantoor. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft de klachtonderdelen gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Klaagster is niet opgekomen tegen de beslissing van de raad over verweerder 4 (de klachtenfunctionaris van het kantoor). In hoger ligt allereerst de ontvankelijkheidstoets voor in verband met termijnoverschrijding. De raad heeft een aantal klachtonderdelen niet-ontvankelijk verklaard in verband met het verstrijken van de driejaarstermijn. Het hof is van oordeel dat klaagster voldoende heeft onderbouwd dat zij pas na het verstrijken van de driejaarstermijn bekend is geworden met de gevolgen van het handelen of nalaten van verweerders. Niettemin oordeelt het hof dat de termijn van artikel 46g lid 2 Advocatenwet is overschreden. Het hof bekrachtigt in zoverre de beslissing van de raad ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid. Met betrekking tot de inhoud van de overige klachtonderdelen oordeelt het hof dat klaagster niet kan worden ontvangen in het door haar ingestelde beroep, wegens gebrek aan gronden.