Naar boven ↑

Rechtspraak

Dekenbezwaar. De deken heeft een signaal van de rechtbank ontvangen en daarna onderzoek naar verweerder gedaan. Op grond van de stukken en de verklaring van verweerder tijdens de zitting is de raad gebleken dat sprake is geweest van een vooraf bedacht plan dat zijn cliënte met een videobril naar de zitting van de rechtbank zou gaan. Ook staat voor de raad vast dat verweerder tijdens de voorbespreking met zijn cliënte haar heeft voorgesteld om die dag in de rechtbank met een videobril het mogelijke ‘nare gedrag’ van de ex-partner richting zijn cliënte in de publieke ruimte van de rechtbank vast te kunnen leggen om daarna als objectief bewijs te dienen. Voor de raad zijn geen omstandigheden te bedenken dat stiekeme opnames tijdens een zitting door een partij met de wetenschap van een advocaat zijn te rechtvaardigen. De raad acht de rol die verweerder hierin heeft gehad zeer kwalijk en dat handelen betaamt een behoorlijk advocaat niet. In zoverre is het bezwaar gegrond en wordt aan verweerder een voorwaardelijke schorsing van 2 weken opgelegd. De verdere bezwaren, dat sprake is van een patroon waaruit zou volgen dat verweerder zich onafhankelijk opstelt ten opzichte van zijn cliënten en tekortschiet in de zorg voor zijn cliënten en in zijn wijze van praktijkvoering, zijn, tegenover de betwisting daarvan door verweerder, niet vast te stellen. Stukken die die bezwaren nader zouden kunnen onderbouwen, ontbreken. In zoverre ongegrond.