Naar boven ↑

Rechtspraak

Beklag artikel 13 ongegrond. Klaagster wenst aanwijzing van een advocaat om alsnog correct cassatieberoep in te stellen tegen een beslissing van het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden van 31 maart 2026. Uit de stukken blijkt dat klaagster een advocaat heeft benaderd om haar bij te staan bij het instellen van cassatie, maar dat deze advocaat op 25 juni 2026 een negatief cassatie-advies heeft uitgebracht. Vervolgens heeft klaagster zelf een procesinleiding opgesteld en die op 1 juli 2026 bij de Hoge Raad aangebracht. Klaagster is er op 24 juli 2026 door de Hoge Raad op gewezen dat zij uiterlijk op 21 augustus 2026 moet laten weten of zij haar cassatieberoep wil intrekken, of dat zij het eventueel wil doorzetten. Ook is zij er daarbij op gewezen dat haar procesinleiding op 30 juni 2026 zonder tussenkomst van een cassatieadvocaat en te laat is ingediend en dat zij er rekening mee moet houden dat zij niet-ontvankelijk zal worden verklaard (als zij het beroep doorzet). 
Het hof overweegt dat de deken zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat klaagster haar verzoek om aanwijzing te laat heeft ingediend. Van uitzonderlijke omstandigheden die tot de conclusie zouden moeten leiden dat klaagster alsnog ontvankelijk zou zijn bij het doorzetten van het cassatieberoep door een cassatieadvocaat is niet gebleken. Een cassatieadvocaat kan het gebrek aan het door klaagster zelf buiten de termijn ingediende cassatieberoep niet herstellen. Het aanwijzen van een cassatieadvocaat dient dan ook geen redelijk doel meer.