Naar boven ↑

Rechtspraak

Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. De voorzitter stelt vast dat de klacht ziet op – vermeend - nalaten van verweerster op of rond 18 oktober 2016. Klager heeft zich op 26 januari 2026, derhalve ruimschoots na het verstrijken van de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet bedoelde termijn, met een klacht over verweerster tot de deken gewend. Niet is gebleken dat klager niet eerder dan op 26 januari 2026 heeft kunnen klagen. Dat klager naar eigen zeggen pas in januari 2026 nadere informatie heeft verkregen over het  medicijngebruik van zijn moeder en dat notaris G in 2014 uit zijn ambt is gezet, maakt dit niet anders. De voorzitter oordeelt daarom dat van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is. Dat sprake zou zijn van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie is voorts evenmin gebleken. Klacht niet-ontvankelijk.