Rechtspraak
Beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Hoewel de aangewezen advocaat bij de deken heeft aangegeven dat het hem wenselijk voorkwam als hij alleen in het executiegeschil de belangen van klaagster zou behartigen, heeft de advocaat na de weigering van de deken daartoe klaagster geadviseerd hem in de bodemzaak opdracht te geven contact op te nemen met het IJI voor een analyse van het toepasselijke Engelse recht. Dit advies was erop gericht klaagster ook in de bodemprocedure van effectieve rechtsbijstand te kunnen voorzien. Daarmee heeft de advocaat adequaat gehandeld. Klaagster heeft hier kennelijk van afgezien omdat zij het met het advies niet eens was. Dit acht het hof een gemiste kans en in feite heeft klaagster het functioneren van de aanwijzing in die zaak daarmee onmogelijk gemaakt. Daarnaast zijn er geen redenen om te twijfelen aan de totstandkoming of de inhoud van het door de advocaat in het executiegeschil gegeven procesadvies. Uit het dossier rijst het beeld op dat klaagster wil bepalen hoe de rechtsbijstand inhoudelijk vormgegeven moet worden. Dit staat haaks op de voor de advocatuur geldende kernwaarde onafhankelijkheid. Dat klaagster het niet eens is met het procesadvies brengt niet mee dat een andere advocaat moet worden aangewezen door de deken. Het hof is van oordeel dat klaagster in zowel het executiegeschil als de bodemprocedure van effectieve rechtsbijstand is voorzien, en er geen aanleiding bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dat de deken slechts eenmalig een advocaat aanwijst.
