Rechtspraak
Raadsbeslissing. Klacht is deels gegrond en deels ongegrond. Uit het klachtdossier blijkt dat verweerder steken heeft laten vallen in de communicatie met klaagster. Zo heeft verweerder, toen de beslistermijn van de IND afliep, geen contact met klaagster opgenomen, terwijl zowel zijzelf, als medewerkers van Vluchtelingenwerk, wel op verschillende manieren hebben geprobeerd in contact te komen met verweerder. Verweerder heeft te weinig transparantie betracht richting zijn cliënt over de voortgang en de ontwikkelingen in de procedure. Pas op 3 december 2024 heeft verweerder namens klaagster de IND aangeschreven, maar in die correspondentie heeft hij kennelijk klaagster niet gekend of meegenomen, aangezien zij zelf op 12 december 2024 opheldering vraagt aan verweerder over de vraag of er daadwerkelijk een schrijven aan de IND is uitgegaan. Op zitting heeft de verschenen kantoorgenoot van verweerder erkend dat er problemen spelen op het gebied van de verwerking van contactverzoeken van cliënten en aangegeven dat dit op kantoor een verbeterpunt is. Aan verweerder kan een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Klachtonderdeel b), waarin klaagster verweerder verwijt dat hij niet reageerde op overnameverzoeken van de nieuwe advocaten, mist naar het oordeel van de raad feitelijke grondslag. Mede gelet op het tuchtrechtelijk verleden van verweerder ziet de raad aanleiding aan verweerder een zware maatregel op te leggen, namelijk een voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van zijn praktijk voor de duur van vier weken.
