Naar boven ↑

Rechtspraak

Raadsbeslissing. Klacht over advocaat die in opdracht van een cliënt geen feitenonderzoek heeft verricht. De klacht dat verweerster geen duidelijkheid heeft geschept over in welke hoedanigheid zij heeft opgetreden in het onderzoek is gegrond. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster niet voldaan aan de hoge mate van duidelijkheid die de tuchtrechter op grond van genoemde vaste tuchtrechtspraak verlangt. In het boven ieder gespreksverslag opgenomen tekstblok is vermeld dat verweerster “het onderzoek uitvoert in de hoedanigheid van advocaat van [P B.V.] in het kader van een advies dat dient ter bepaling van diens juridische positie” . Daar staat echter tegenover dat (1) verweerster in datzelfde tekstblok wordt aangeduid als “onderzoeker”, dat (2) in het tekstblok wordt benadrukt dat verweerster “in de eventuele advies- en/of besluitvormingsfase niet tevens [zal] optreden als gemachtigde van de opdrachtgever” en dat (3)  in de uitnodiging die verweerster voorafgaand aan het gesprek aan klager heeft gestuurd is vermeld dat het onderzoek wordt uitgevoerd conform het “Protocol feitenonderzoek”, waarmee de suggestie is gewekt dat men beoogde het onderzoek op onafhankelijke en objectieve wijze vorm te geven. De klachten dat verweerster het beginsel van hoor en wederhoor niet deugdelijk heeft toegepast en haar eigen onderzoeksprotocol niet heeft nageleefd zijn gegrond omdat klager pas na de totstandkoming van het onderzoeksrapport zijn visie heeft kunnen geven. Dit alles levert een schending van de kernwaarde integriteit op. De klachten dat het door verweerster verrichte onderzoek niet onafhankelijk, niet verkennend en geen feitenonderzoek bleek te zijn en dat zij ten onrechte verklaringen aan klager heeft toegeschreven die hij niet heeft afgelegd, zijn ongegrond. Berisping.