Rechtspraak
dekenbezwaar. De deken heeft in haar bezwaar over dezelfde gedragingen van verweerster geklaagd als een cliënt van haar, de heer R. In die klachtzaak (25-105/AL/NN) is op dezelfde dag uitspraak gedaan als in het dekenbezwaar. De raad oordeelt dat onderdeel van het dekenbezwaar ongegrond en de twee andere bezwaren gegrond.
De deken is door het onderzoek naar de klacht van de heer R over verweerster bekend geworden met twee e-mails van verweerster aan de heer R. In de e-mail van oktober 2022 heeft verweerster aan de heer R bericht dat haar werkzaamheden voor 90% zagen op haar werkzaamheden in zijn alimentatiekwestie. In haar e-mail van december 2022 heeft verweerster echter aan de heer R bericht dat haar werkzaamheden grotendeels door hem als zakelijk konden worden geboekt. Vast staat dat die declaraties van ruim € 50.000,- zagen op werkzaamheden van verweerster voor de heer R privé, zoals verweerster twee maanden eerder in haar e-mail van oktober 2022 ook aan hem had geschreven. Verweerster heeft niet alleen opzettelijk gelogen in haar e-mail van december 2022 maar heeft daarmee ook valsheid in geschrifte gepleegd en gepoogd mee te werken aan oplichting door de heer R van de Belastingdienst. Dat het zover niet is gekomen, is dankzij de accountant van de heer R die de valse verklaring van verweerster niet wilde gebruiken bij de aangifte van de heer R voor de inkomstenbelasting over 2021.
Verweerster heeft naar aanleiding van vragen van de deken over de inhoud van genoemde e-mails van oktober en december 2022 aan de heer R in haar eerste reactie geprobeerd om de waarheid over haar valse verklaring aan de heer R te verdoezelen. Pas na ontvangst van het concept-dekenbezwaar heeft verweerster open kaart met de deken gespeeld. Verweerster heeft met haar handelen op ernstige wijze in strijd met de normen van artikel 46 Advocatenwet en de kernwaarden integriteit en onafhankelijkheid gehandeld en ook op onbetamelijke wijze de deken in haar toezichthoudende taak belemmerd en geprobeerd te misleiden.
Alhoewel de zeer grote ernst hiervan een onvoorwaardelijke schorsing zou rechtvaardigen, zeker ook gelet op het tuchtrechtelijk verleden van verweerster, legt de raad aan verweerster een voorwaardelijke schorsing van 26 weken op met een proeftijd van twee jaar en ook een bijzondere voorwaarde. De raad hecht waarde aan het in het voorjaar van 2025 door verweerster gestarte coaching traject bij collega-advocaat. De raad hoopt, net als de deken tijdens de zitting heeft verklaard, dat die coaching zal resulteren in een verbetering van de bedrijfsvoering van verweerster, zodanig dat hierover geen klachten meer worden ingediend. Omdat de deken tijdens de zitting ook heeft verklaard dat verweerster inhoudelijk een goede advocaat is, en verweerster medische problemen heeft gehad, is de raad bereid om verweerster nog één laatste kans te geven.
