Rechtspraak
Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. De klacht dat verweerder klaagster ten onrechte heeft betrokken in een faillissementsprocedure en ten onrechte aan klaagster een faillissementsprocedure heeft aangezegd is ongegrond. De raad is van oordeel dat verweerder genoegzaam gemotiveerd heeft toegelicht dat en waarom het in het belang van zijn cliënten was om ook klaagster in de faillissementsprocedure te betrekken en vervolgens ook aan haar nog eens indiening van een faillissementsrekest aan te kondigen. Op basis van de verweerder ter beschikking staande informatie kon hij menen dat zijn cliënten mogelijk (ook) een vordering op klaagster hadden. Dat verweerder, met het doel de levering van het chalet aan zijn cliënten te bewerkstelligen, ook klaagster in de faillissementsprocedure te betrekken, kan hem gelet op het voorgaande niet tuchtrechtelijk worden verweten. De klacht dat verweerder intimiderend en escalerend tegen klaagster heeft opgetreden, is, voor zover de klacht ziet op het handelen of nalaten van verweerder van voor 28 november 2021, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk. Voor het overige is de klacht ongegrond. Van intimiderend of escalerend gedrag is niet gebleken.
