Naar boven ↑

Rechtspraak

Verweerster heeft in strijd met art. 46 Aw, in het bijzonder de gedragsregels 16 lid 3 en 18 leden 1 en 2 gehandeld door naast het aanvragen van een toevoeging voor klaagster in diezelfde procedure een declaratie aan haar te sturen. Het verzenden van een declaratie is zonder meer het 'bedingen' van een vergoeding als bedoeld in lid 2 van gedragsregel 18, maar verhoudt zich ook niet met het systeem van gefinancierde rechtsbijstand. Een cliënt wordt ofwel bijgestaan op basis van gefinancierde rechtsbijstand dan wel op betalende basis. Na aanvragen van een toevoeging is het aan de Raad voor Rechtsbijstand voorbehouden om na afloop van de zaak op grond van het behaalde eindresultaat te beoordelen of de toevoeging terecht is verstrekt. Zo niet, dan moet de cliënt de advocaat alsnog betalen indien daarover bij aanvaarding van de zaak prijsafspraken zijn gemaakt. Klaagster heeft niet uitdrukkelijk afstand gedaan van haar recht op gefinancierde rechtsbijstand. Verweerster had na afloop van de zaak de voorwaardelijk verleende toevoeging voor definitieve vaststelling ter beoordeling aan de Raad voor Rechtsbijstand voor moeten leggen, wat zij niet heeft gedaan. Nog los van de vraag of de Raad voor Rechtsbijstand in de resultaatsbeoordeling ook te ontvangen bruto partneralimentatie betrekt, zoals verweerster stelt, is verweerster ten onrechte op de stoel van de Raad voor Rechtsbijstand gaan zitten. Daardoor heeft zij klaagster ook nog de mogelijkheid ontnomen om bij een beslissing tot intrekking van de toevoeging bezwaar daartegen te maken. Van kwade bedoelingen van verweerster is de raad niet gebleken. De raad acht gezien de ernst van het aan verweerster verweten handelen een maartregel van berisping passend.