Naar boven ↑

Rechtspraak

Van intrekken moet ondubbelzinnig blijken

Verweerder heeft zich in dit verband beroepen op een brief van klager (…) In die brief staat verder:

“De reden dat ik er niet ben is dat ik in augustus 2013 tijdens mijn verblijf in de PI Lelystad ernstig hersenletsel heb opgelopen met blijvende lichamelijke en cognitieve beperkingen. Hierdoor ben ik niet in staat om tijdens de zitting het woord te voeren. Ook heb ik momenteel geen advocaat en laat ik u weten van de zaak af te zien”.

Het hof deelt het oordeel van de raad, die deze passage niet heeft opgevat als een intrekking van de klacht, maar slechts als een mededeling dat klager afzag van zijn recht bij de mondelinge behandeling van de raad aanwezig te zijn. Het hof neemt daarbij in overweging, dat alleen mag worden uitgegaan van een intrekking van de klacht, als daarvan uitdrukkelijk en ondubbelzinnig blijkt. De geciteerde passage van klagers brief voldoet niet aan die eis, integendeel. Het ligt veeleer voor de hand een verband aan te nemen tussen de laatste geciteerde woorden en de eerdere mededeling van klager in de brief dat hij niet in staat is de mondelinge behandeling bij te wonen.