Naar boven ↑

Rechtspraak

Termijn art. 60g is niet fataal; gesloten deuren (art. 60b lid 2); elders in loondienst?

Het hof heeft de zaak mondeling behandeld op de zitting met gesloten deuren van 7 februari 2014, (…) Blijkens deze toelichtingen heeft het verstreken zijn van de termijn van vier weken alleen rechtsgevolgen voor eventueel getroffen voorlopige voorzieningen, niet voor de beslissing tot schorsing in de uitoefening van de praktijk. Het hof neemt hierbij nog in aanmerking dat de schorsing voor onbepaalde tijd eerst ingaat op de datum van de (definitieve) beslissing van de raad. Er bestaat geen goede grond om aan te nemen dat een dergelijk beslissing na het verstreken zijn van de termijn van vier weken niet meer genomen zou kunnen worden, indien daartoe wel toereikende gronden bestaan. De termijn van vier weken genoemd in artikel 60g lid 3 Advocatenwet is mitsdien, voor wat betreft de schorsing als bedoeld in artikel 60b geen fatale termijn. Gronden om aan te nemen dat hier sprake is van een termijn van openbare orde zijn door verweerder niet genoemd en door het hof ook ambtshalve niet gevonden (…).

De financiële toestand van verweerder is zeer ernstig en zorgelijk. De schulden aan de bank, fiscus en rechtbank zijn omvangrijk, terwijl de eigen woning van verweerder ‘onder water staat’. In de bijna zes maanden tussen het inleidende verzoek van de deken (…) en de zitting van het hof (…) is verweerder er kennelijk niet in geslaagd zijn financiën op orde te brengen. Een plan van aanpak om daar verbetering in te brengen, onderbouwd door een financieel adviseur en voorzien van betalingsregelingen, ontbreekt nog steeds. Dat er thans aangifte inkomsten- en omzetbelasting over de afgelopen jaren is gedaan, is het hof niet kunnen blijken. De financiële toestand van verweerder is bovendien zodanig dat, zelfs als hij als advocaat in loondienst zou treden, niet valt te verwachten dat binnen afzienbare tijd een gezonde financiële situatie zou kunnen ontstaan. Ten slotte neemt het hof in overweging dat verweerder onvoldoende inzicht heeft in zijn financiële situatie, hetgeen onder meer blijkt uit hoge privé-opnames, het niet, althans onvoldoende administratie voeren, het onbetaald laten van griffierecht, het vermengen van zakelijk en privébetalingsverkeer en/of het niet op orde hebben van de jaarrekeningen van de Stichting Derdengelden.

Voorts is niet gebleken dat verweerder op korte termijn bij een advocaat/ advocatenkantoor in loondienst kan treden. Weliswaar zal juist kunnen zijn dat verweerder vanuit een positie waarin hij niet geschorst is een beter vooruitzicht heeft op een functie in loondienst, maar dit feit rechtvaardigt niet verweerder reeds nu al ‘de vrije hand’ te geven. Het hof acht het onverantwoord om het verweerder mogelijk te maken als advocaat in loondienst werkzaam te zijn zonder dat zijn financiële situatie op orde heeft gebracht en verweerder heeft getoond zijn (en daarmee die van zijn cliënten) financiële belangen behoorlijk te kunnen behartigen. Daarop ontbreekt vooralsnog ieder vooruitzicht. Bovendien blijkt uit de feiten dat er veel schort aan de financiële integriteit van verweerder. Dat brengt mee dat van hem verwacht mag worden, alvorens weer als advocaat te gaan werken, dat hij zich op dit punt zal scholen en dat hij met een eventuele aanstaande werkgever deugdelijke afspraken zal maken die een voldoende waarborg kunnen bieden ter voorkoming van ongewenst gedrag (…).

Aan het slot van het beroepschrift vraagt verweerder subsidiair een voorziening te treffen inhoudende dat de schorsing terstond zal worden opgeheven indien hij aan de hand van een arbeidsovereenkomst met een financieel gezond advocatenkantoor met een goede administratieve ondersteuning kan aantonen zijn praktijk voort te zetten in loondienst. Verweerder miskent met dit verzoek dat het niet aan het hof, maar in eerste instantie aan de raad is om te oordelen op het verzoek de schorsing op te heffen. De raad beoordeelt het verzoek aan de hand van alle alsdan geldende omstandigheden.