Naar boven ↑

Update

Nummer 8, 2026
Uitspraken van tot

Onder het kopje ‘Selectie uitspraken door de NOvA’ wordt toegelicht waarom de uitspraken zijn geselecteerd. Door te klikken op het ECLI-nummer wordt u doorgeleid naar de database NOvA Tuchtrecht Updates

Onder het kopje ‘Samenvattingen’ vindt u de samenvattingen die door de tuchtcolleges ten behoeve van de publicatie zijn gemaakt. Deze samenvattingen zijn ook te vinden in de database NOvA Tuchtrecht Updates

Selectie uitspraken door de NOvA 

ECLI:NL:TADRSGR:2025:96: Schrapping wegens in de steek laten van cliënt na ontvangen voorschot
Deze zaak betreft een klacht tegen de eigen advocaat. Klager is door een tussenpersoon naar verweerder verwezen voor juridische bijstand in een aansprakelijkheidskwestie. Klager verwijt verweerder dat hij onbereikbaar is en geen rechtsbijstand heeft verleend. Klager heeft een voorschot van € 1.000 betaald, waarna verweerder enkel een aansprakelijkstelling aan de wederpartij heeft verzonden. Nadien heeft verweerder klager niet op de hoogte gehouden van de voortgang en was hij voor klager en de tussenpersoon niet bereikbaar. Ook op verzoeken van de deken heeft verweerder niet gereageerd en ter zitting van de raad is hij niet verschenen.

De raad oordeelt dat verweerder zijn cliënt in de steek heeft gelaten door na de aansprakelijkheidstelling geen verdere rechtsbijstand te verlenen, geen informatie te verstrekken en onbereikbaar te zijn, terwijl wel een voorschot is ontvangen. Door tevens niet te reageren op de deken heeft verweerder het toezicht ernstig bemoeilijkt. De klacht wordt gegrond verklaard.

De raad acht de maatregel van schrapping van het tableau passend. Daarbij weegt de raad mee dat verweerder zich in meerdere zaken op vergelijkbare wijze heeft gedragen, waaronder een zaak die op dezelfde zittingsdag door de raad is behandeld, en dat hij op geen enkele wijze verantwoording heeft afgelegd. De raad is daarom van oordeel dat voor verweerder geen plaats is op het tableau.

ECLI:NL:TADRSGR:2025:109: Berisping wegens tekortschieten in optreden als gezamenlijk echtscheidingsadvocaat
Deze klacht betreft een klacht tegen de eigen advocaat. Verweerder heeft opgetreden als gezamenlijk echtscheidingsadvocaat van klaagster en haar toenmalige echtgenoot en heeft het echtscheidingsverzoek, het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan opgesteld en bij de rechtbank ingediend. Klaagster verwijt verweerder dat hij zich tijdens de echtscheidingsprocedure niet heeft teruggetrokken en onvoldoende onpartijdig heeft gehandeld. Volgens klaagster zijn het convenant en het ouderschapsplan volledig opgesteld op aanwijzingen van de man, heeft zij geen wezenlijke inbreng gehad en is zij onvoldoende geïnformeerd over de gevolgen. Klaagster stelt dat verweerder en de man jeugdvrienden zijn en dat er sprake was van een oneerlijk gang van zaken op het kantoor. Zij zou onder druk zijn gezet om het convenant en het ouderschapsplan te ondertekenen. Klaagster stelt daarnaast dat verweerder had moeten opmerken dat sprake was van huiselijk geweld en daarnaar onderzoek had moeten doen.

De raad stelt voorop dat op de advocaat die optreedt als enige advocaat van twee partijen om een echtscheiding tot stand te brengen een zware zorgplicht rust. De advocaat dient zich ervan te vergewissen dat beide partijen de regeling zoals in een convenant opgesteld begrijpen en indien een partij met minder genoegen neemt dan waarop zij aanspraak kan maken, deze partij die concessie welbewust aanvaardt. Naar het oordeel van de raad is verweerder daarin tekortgeschoten. Verweerder heeft (vrijwel) niets schriftelijk vastgelegd en heeft klaagster en de man slechts eenmaal in persoon gesproken, pas bij de ondertekening van de stukken. Dat er vaker contact is geweest, bijvoorbeeld via videobellen, is niet komen vast te staan. Voorts blijkt nergens uit dat verweerder vooraf met klaagster en de man heeft gesproken over hun wensen in verhouding tot hun rechten. Gelet op de inhoud van het verzoekschrift had verweerder voor ondertekening daarvan ten minste eenmaal alleen en in persoon met klaagster moeten spreken over haar rechten, de inhoud van het verzoekschrift en de gevolgen daarvan, én die bespreking schriftelijk moeten vastleggen. Verweerder heeft dat nagelaten en daarvan valt hem een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Ook is niet gebleken dat verweerder navraag heeft gedaan naar onder meer schulden, die als gevolg van het verzoekschrift voor rekening van klaagster kwamen, en vermogensbestanddelen. Daarmee heeft verweerder niet voldaan aan de op hem rustende zware zorgplicht.

Naar het oordeel van de raad is echter niet vast komen te staan dat verweerder partijdig was of bewust uitsluitend het belang van de man heeft gediend. Evenmin is vast komen te staan dat verweerder aanwijzingen had dat klaagster onder druk werd gezet door de man of zich in een zodanig benarde positie bevond dat nader onderzoek was vereist. De raad verklaart de klacht daarom gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond. De raad is van oordeel dat er sprake is van schending van de betamelijkheidsnorm met een ernstig verwijtbaar karakter en legt de maatregel van berisping op.

ECLI:NL:TADRAMS:2025:106: Waarschuwing wegens onvoldoende informatieverstrekking over kosten bij toevoegingszaak
Deze zaak betreft een klacht van een cliënte tegen haar advocaat over de verleende bijstand in een familierechtelijk geschil met haar ex-partner. Het geschil zag onder meer op het gezag over hun minderjarige dochter en de verdeling van de overwaarde van de gemeenschappelijke woning. Klaagster verwijt verweerster onder meer dat zij een onjuiste mededeling ter zitting heeft gedaan, zich onzorgvuldig heeft onttrokken aan de zaak, geen kosteninschatting heeft verstrekt, ten onrechte heeft gefactureerd ondanks een toevoeging en dat klaagster haar deel van de overwaarde niet heeft ontvangen.

De raad oordeelt dat niet is gebleken dat verweerster door een inhoudelijk onjuiste mededeling ter zitting heeft bijgedragen aan het verlies van het eenhoofdig gezag. Ook het verwijt dat verweerster zich onzorgvuldig heeft onttrokken, treft geen doel. Verweerster heeft klaagster direct na de uitspraak geïnformeerd over de mogelijkheid van hoger beroep, daarbij toegelicht dat zij dit niet zou behandelen wegens haar praktijkbelasting en dit zowel mondeling als schriftelijk bevestigd. Daarmee heeft zij klaagster voldoende gelegenheid geboden om tijdig een andere advocaat in te schakelen.

Ten aanzien van de kosten oordeelt de raad echter dat verweerster tuchtrechtelijk tekort is geschoten. Verweerster heeft klaagster gedurende de bijna een jaar durende bijstand niet tussentijds geïnformeerd over de met haar werkzaamheden gemoeide kosten en geen kosteninschatting verstrekt, ondanks een expliciet verzoek daartoe. Pas in december 2023 heeft verweerster een (concept)factuur gestuurd. Daarmee heeft verweerster haar informatieplicht geschonden (gedragsregel 16). Dat klaagster een toevoeging had, maakt dit niet anders, nu verweerster had moeten onderkennen dat de toevoeging mogelijk zou worden ingetrokken vanwege het behaalde resultaat.

Het verwijt dat klaagster haar deel van de overwaarde van de woning nog niet heeft ontvangen, wordt ongegrond verklaard. Dit betreft de uitvoering van civiele afspraken waarvoor klaagster zelf rechtsmaatregelen had moeten treffen en kan verweerster niet tuchtrechtelijk worden aangerekend. Gelet op het blanco tuchtrechtelijk verleden van verweerster en het door haar getoonde inzicht, acht de raad de maatregel van waarschuwing passend.

ECLI:NL:TADRSGR:2025:120: Berisping wegens onvoldoende voortvarend handelen, gebrekkige communicatie en nalaten van betekening vonnis
Deze zaak betreft een klacht tegen de eigen advocaat over de bijstand in een geschil met zijn ex-partner over de verkoop van de voormalige echtelijke woning. Klager verwijt verweerder onder meer dat hij zonder overleg afzag van het starten van een bodemprocedure, het kort geding onnodig lang liet duren, fouten maakte in financiële overzichten en naliet het kortgedingvonnis tijdig te betekenen en dwangsommen te incasseren.

De raad stelt vast dat bij aanvang van de opdracht was afgesproken dat zowel een kort geding als een bodemprocedure zou worden voorbereid. Verweerder heeft echter, zonder dit met klager te bespreken, besloten geen bodemprocedure te starten. Klager werd daarvan pas na verloop van tijd en slechts indirect op de hoogte gesteld. Dit acht de raad tuchtrechtelijk verwijtbaar, nu het ging om een wezenlijke strategische keuze die met de cliënt had moeten worden afgestemd.

Ook oordeelt de raad dat verweerder de kortgedingprocedure onvoldoende voortvarend heeft aangepakt. Hoewel klager vanaf het begin duidelijk heeft gemaakt dat hij financieel klem zat en de situatie niet langer kon dragen, heeft het bijna een jaar geduurd voordat het kort geding daadwerkelijk werd behandeld.

Ten aanzien van de financiële overzichten oordeelt de raad dat weliswaar sprake was van slordigheden, maar dat deze onvoldoende zwaarwegend zijn om tuchtrechtelijk verwijtbaar te achten. Ook het verwijt dat verweerder onjuist zou hebben verklaard over een andere procedure kan niet worden vastgesteld en wordt ongegrond verklaard. Het klachtonderdeel over de betekening van het kortgedingvonnis is wel gegrond. Verweerder heeft na het vonnis aanvankelijk volstaan met een waarschuwing aan de advocaat van de wederpartij en heeft het vonnis niet daadwerkelijk laten betekenen, terwijl daarvoor wel aanleiding bestond. Toen een eerste betekening niet was geslaagd, heeft verweerder klager daarover niet geïnformeerd en geen vervolgactie ondernomen. De raad acht dit onzorgvuldig en onvoldoende voortvarend, temeer nu klager expliciet verzocht om het innen van dwangsommen.

De raad concludeert dat verweerder op meerdere momenten tekort is geschoten in zijn dienstverlening door trage en onzorgvuldige behandeling van de zaak en gebrekkige communicatie met klager. Daarmee heeft verweerder gehandeld in strijd met de kernwaarde deskundigheid. De klacht wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en aan verweerder wordt de maatregel van berisping opgelegd.

Samenvattingen (bron: tuchtcolleges)

2. Eigen advocaat