Naar boven ↑

Update

Nummer 6, 2026
Uitspraken van tot

Onder het kopje ‘Selectie uitspraken door de NOvA’ wordt toegelicht waarom de uitspraken zijn geselecteerd. Door te klikken op het ECLI-nummer wordt u doorgeleid naar de database NOvA Tuchtrecht Updates.  

Onder het kopje ‘Samenvattingen’ vindt u de samenvattingen die door de tuchtcolleges ten behoeve van de publicatie zijn gemaakt. Deze samenvattingen zijn ook te vinden in de database NOvA Tuchtrecht Updates.  

Selectie uitspraken door de NOvA  

ECLI:NL:TAHVD:2025:78: Advocaat is niet gehouden om gratis te werken als er geen dekking is en zijn cliënt niet akkoord gaat met het betalen van de werkzaamheden 
Deze zaak betreft een klacht tegen de eigen advocaat. Klager is verwikkeld geweest in een geschil over technische problemen aan zijn kajuitjacht. Klager is uiteindelijk bij verweerder terechtgekomen om een procedure te starten tegen de verkoper van het kajuitjacht en tegen zijn rechtsbijstandsverzekeraar, ARAG. Zowel ARAG als een andere rechtsbijstandsverzekeraar van klager gaf aan geen dekking te willen verlenen voor het voeren van een procedure tegen ARAG. Verweerder heeft verschillende werkzaamheden voor klager verricht, maar wilde pas overgaan tot dagvaarden als hij eerst een toezegging van klager zou ontvangen dat de kosten door klager zelf werden betaald. Bij het uitblijven van deze toezegging heeft verweerder zijn werkzaamheden neergelegd. Klager verwijt verweerder dat hij zijn belangen niet goed heeft behartigd. 

De raad heeft de klacht ongegrond verklaard. Verweerder is niet gehouden om gratis te werken als er geen dekking van een rechtsbijstandsverzekeraar is en klager niet akkoord gaat met het betalen van de werkzaamheden. De raad ziet voor het overige niet in dat verweerder is tekortgeschoten in zijn belangenbehartiging. Klager is het hier niet mee eens en is van de beslissing van de raad in beroep gekomen. 

Met de raad is het hof van oordeel dat verweerder niet gehouden was om zonder toezegging over betaling van zijn honorarium voor klager aan het werk te gaan. Verweerder heeft hier ook geen misverstand over laten bestaan. Het hof sluit zich daarom aan bij de beslissing van de raad en neemt die over. 

ECLI:NL:TADRSGR:2025:97: Schrapping wegens ernstige verwaarlozing van cliënt en structurele onbereikbaarheid 
Deze zaak betreft een klacht over de dienstverlening van de eigen advocaat. Verweerder stond klaagster bij in een geschil met een huurster over onderhuur. Verweerder heeft na ontvangst van een voorschot niet of nauwelijks werkzaamheden verricht, klaagster onvolledig en laat geïnformeerd en was structureel slecht bereikbaar. Uit de uitgebreide correspondentie blijkt dat klaagster herhaaldelijk moest aandringen op informatie over brieven en de voortgang van de zaak. Verweerder deed veelvuldig toezeggingen over het opstellen en versturen van stukken, maar kwam deze niet na. Vanaf september 2024 was verweerder volledig onbereikbaar en klaagster ontdekte via de rechtbank dat er een zitting gepland stond waarvan zij nooit op de hoogte was gesteld. Zij zag zich genoodzaakt haar verzoek in te trekken omdat zij zonder vertegenwoordiging zat.  

De raad stelt vast dat verweerder klaagster in de steek heeft gelaten en geen enkele zorgvuldigheid heeft betracht. Hij informeerde haar niet over de procesgang, communiceerde nauwelijks, gaf geen inzicht in kosten of verrichte werkzaamheden en liet haar achter na betaling van voorschotten. Tevens heeft verweerder niet gereageerd op de klacht en is hij niet op de zitting verschenen. De raad houdt er bovendien rekening mee dat tegen verweerder meerdere soortgelijke klachten lopen, waarbij een patroon zichtbaar is van onbereikbaarheid en het innen van voorschotten zonder werkzaamheden te verrichten. 

Gelet op de ernst van de tekortkomingen en de herhaling van dergelijk gedrag, oordeelt de raad dat voor verweerder geen plaats meer is op het tableau. De klacht wordt gegrond verklaard en de maatregel van schrapping wordt opgelegd.  

ECLI:NL:TADRSGR:2025:98: Waarschuwing wegens voldoende aanknopingspunten tussen het gewraakte optreden en het beroep van advocaat
Deze zaak betreft een klacht van een collega-advocaat. Klager verwijt verweerder dat hij, naar aanleiding van een door klager tegen een kantoorgenote van verweerder ingediende klacht, contact heeft opgenomen met een partner van het kantoor waar klager destijds als advocaat werkzaam was en daarbij vertrouwelijk informatie over zijn privéleven heeft gedeeld en daarnaar heeft gevraagd. 

De raad stelt voorop dat het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan echter ook gelden als een advocaat niet optreedt als advocaat. Dat is het geval als er voldoende aanknopingspunten zijn tussen het beroep van advocaat en zijn doen en laten in de andere hoedanigheid. In dat geval is het advocatentuchtrecht volledig van toepassing. Als deze aanknopingspunten er niet zijn, dan beperkt de tuchtrechter de beoordeling tot de vraag of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.  

Verweerder heeft onweersproken gesteld dat hij in zijn hoedanigheid van lid van het dagelijks bestuur van zijn advocatenkantoor contact heeft gezocht met een van de partners van het (toenmalige) advocatenkantoor van klager. De raad neemt derhalve als uitgangspunt dat verweerder niet optrad als advocaat. Nu tussen het gewraakte optreden van verweerder en zijn beroep van advocaat wel voldoende aanknopingspunten bestaan, wordt dat optreden door de raad getoetst aan het volledige advocatentuchtrecht. 

Naar het oordeel van de raad heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de (toenmalige) werkgever van klager zonder redelijke grond te betrekken in een kwestie die speelde tussen klager en een kantoorgenote van verweerder, waarbij de werkgever van klager geen enkele rol speelde. Gelet op het feit dat verweerder niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, acht de raad de maatregel van waarschuwing passend en geboden. 

ECLI:NL:TAHVD:2025:88: Niet-ontvankelijk hoger beroep wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding 
Deze zaak betreft een hoger beroep bij het hof van discipline van een klager tegen een eerdere beslissing van de raad, waarin zijn klacht ongegrond was verklaard. Het hof moest uitsluitend oordelen over de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Artikel 56 lid 1 van de Advocatenwet bepaalt namelijk dat gedurende dertig dagen na verzending van de beslissing van de raad hoger beroep kan worden ingesteld tegen die beslissing. Die beslissing was op 15 januari 2024 verzonden, waardoor de beroepstermijn op 14 februari 2024 eindigde. Klager diende zijn beroepschrift echter pas op 16 februari 2024 in.  

Klager stelde dat sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding wegens een combinatie van ingrijpende persoonlijke omstandigheden: een zware schouderoperatie, intense pijnklachten en zware medicatie, mantelzorg voor zijn zoon, financiële beperkingen en de recente rouw om het overlijden van zijn vader. Hij verwees daarbij naar medische verklaringen. Verweerder bestreed dat deze omstandigheden de overschrijding konden rechtvaardigen.  

Het hof overweegt dat de Advocatenwet een harde beroepstermijn van dertig dagen kent, waarbij de verzenddatum leidend is. Hoewel klager aantoonbaar in een moeilijke periode verkeerde, is niet aannemelijk geworden dat hij feitelijk of psychisch niet in staat was tijdig beroep in te stellen. Uit de medische informatie blijkt dat klager vanaf begin februari weer in staat moest worden geacht om aan zijn beroepschrift te werken. Ook heeft klager niet onderbouwd waarom hij geen hulp van derden kon inroepen. De gestelde omstandigheden bieden daarom geen grond voor verschoonbaarheid. Nu het beroepschrift te laat is ingediend en er geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die de overschrijding rechtvaardigen, verklaart het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk.  

Samenvattingen (bron: tuchtcolleges) 

2. Eigen advocaat

6. Optreden advocaat in andere hoedanigheid

10. Procesrecht