Naar boven ↑

Update

Nummer 4, 2026
Uitspraken van tot


Onder het kopje ‘Selectie uitspraken door de NOvA’ wordt toegelicht waarom de uitspraken zijn geselecteerd. Door te klikken op het ECLI-nummer wordt u doorgeleid naar de database NOvA Tuchtrecht Updates.  

Onder het kopje ‘Samenvattingen’ vindt u de samenvattingen die door de tuchtcolleges ten behoeve van de publicatie zijn gemaakt. Deze samenvattingen zijn ook te vinden in de database NOvA Tuchtrecht Updates.  

Selectie uitspraken door de NOvA  

ECLI:NL:TADRARL:2025:97: Voorwaardelijke schorsing wegens het frustreren van het toezicht van de deken 
Deze zaak betreft een dekenbezwaar tegen een advocaat die gedurende meerdere jaren heeft nagelaten zijn administratie op orde te brengen en stelselmatig niet heeft meegewerkt aan het toezicht door de deken. Verweerder heeft herhaaldelijk nagelaten de financiële kerngetallen en de verplichte kantooropgaven aan te leveren, ondanks talloze rappels, gesprekken, vooraankondigingen en opgelegde dwangsommen. De dwangsommen zijn evenmin voldaan.  

Verweerder verwees steeds naar uiteenlopende persoonlijke omstandigheden, maar kwam toezeggingen structureel niet na. De raad oordeelt dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 2:10 BW, artikel 3:15i BW, artikel 6.5 van de Verordening op de advocatuur en gedragsregel 29. Door dit handelen heeft verweerder het toezicht van de deken ernstig gefrustreerd. Het dekenbezwaar wordt gegrond verklaard. Gelet op de ernst en de duur van de nalatigheid legt de raad een voorwaardelijke schorsing van zes weken op. Als bijzondere voorwaarde moet verweerder alle ontbrekende stukken binnen vier weken na het onherroepelijk worden van de beslissing alsnog aan de deken verstrekken.  

ECLI:NL:TADRARL:2025:92: Voorwaardelijke schorsing wegens contact met derden en delen van zaakinhoudelijke informatie tijdens beperkingen
Deze zaak betreft een dekenbezwaar. Volgens de deken heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door, in weerwil van de verweerder bekend zijnde aan zijn cliënt opgelegde beperkingen, informatie uit het strafrechtelijk onderzoek te delen met derden en daarmee in strijd met de kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit te handelen. Verweerder heeft volgens de deken ook in strijd met gedragsregel 22 gehandeld door handelingen te verrichten die zouden kunnen leiden tot ongeoorloofde beïnvloeding van getuigen. 

De raad stelt vast dat aan de cliënt van verweerder beperkingen waren opgelegd, namelijk dat hij geen contact meer mocht hebben met anderen, behalve met zijn advocaat. Ook verweerder was als advocaat aan die beperkingen gehouden. 

Het Openbaar Ministerie heeft transcripties van vier getapte telefoongesprekken van derden aan de deken overgelegd. Naar het oordeel van de raad kan op basis van deze transcripties met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat verweerder tijdens de beperkingen contact heeft opgenomen en zaakinhoudelijke informatie heeft gedeeld met derden. Uit de transcripties van de tapgesprekken kan de raad echter niet afleiden dat verweerder handelingen heeft verricht die zouden kunnen leiden tot ongeoorloofde beïnvloeding van getuigen als bedoeld in gedragsregel 22. Het dekenbezwaar wordt daarom deels gegrond en deels ongegrond verklaard. 

Gelet op de ernst van de handeling, waarmee de kernwaarden en het aanzien van de advocatuur als beroepsgroep zijn geschonden, legt de raad een voorwaardelijke schorsing van 13 weken op. De raad houdt er daarbij ten gunste van verweerder rekening mee dat hem niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. 

ECLI:NL:TAHVD:2025:63: Nalatig handelen en onvoldoende communicatie leidt tot berisping
Deze zaak betreft een klacht van een cliënte over haar eigen advocaat, die haar gedurende drie jaar heeft bijgestaan in een geschil over het ouderschapsplan met haar ex-partner. Klaagster verwijt verweerder dat hij structureel onvoldoende heeft gecommuniceerd, niet heeft gereageerd op belangrijke vragen en brieven en haar belangen niet voortvarend heeft behartigd. De raad heeft de klacht gegrond verklaard en legt een schorsing op van vier weken. 

Verweerder is in beroep gekomen en stelt dat er veel en inhoudelijk contact is geweest tussen hem en klaagster. Het hof onderzoekt de communicatie en dossierbehandeling in de gehele periode. Anders dan de raad oordeelt het hof dat verweerder in de periode vóór 21 september 2022 wel frequent en inhoudelijk contact met klaagster had, dat hij haar steeds informeerde over de voortgang en haar instemming vroeg bij stappen richting de wederpartij. De trage voortgang blijkt vooral te zijn veroorzaakt door de weinig coöperatieve houding van de wederpartij. Voor wat betreft deze periode acht het hof de klacht daarom ongegrond. 

Dit ligt anders voor de periode vanaf 21 september 2022. Klaagster uitte in een uitgebreide e-mail haar zorgen en stelde inhoudelijke vragen. Verweerder reageerde hierop niet, ondanks meerdere herinneringen. Het conceptstuk dat door verweerder aan klaagster was gestuurd op 1 december 2022 ging ook niet in op de vragen die klaagster had gesteld. Ook op de klachtbrief van 21 december 2022 bleef iedere reactie uit. Verweerder erkent in beroep dat hij in deze periode nalatig is geweest en wijt dit aan ernstige privéomstandigheden. Het hof begrijpt de situatie, maar oordeelt dat dit de gegrondheid van de klacht niet wegneemt. Verweerder heeft in deze periode niet de zorg betracht die van een redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. 

Het hof acht het verwijtbaar handelen beperkt tot een relatief korte periode binnen een driejarige opdracht en houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van verweerder. Het hof weegt echter ook verweerders tuchtrechtelijk verleden mee, waarin hem eerdere maatregelen zijn opgelegd voor vergelijkbaar handelen. Alles afwegend legt het hof daarom een berisping op.  

ECLI:NL:TADRARL:2025:105: Onderzoek doen naar authenticiteit van brief afkomstig van werkgever van wederpartij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. Klaagster en haar ex-partner zijn verwikkeld geweest in een familierechtelijke procedure, waarin verweerster de ex-partner heeft bijgestaan. Klaagster heeft in die procedure onder andere een brief van de financieel directeur van haar werkgever ingebracht, zonder handtekening en dagtekening. Klaagster verwijt verweerster dat zij per e-mail via het algemene e-mailadres haar werkgever heeft benaderd met vragen over dit gevoelige document betreffende een privékwestie. Klaagster is hierdoor in de problemen gekomen met haar werkgever. Ter zitting is toegelicht dat de werkgever klaagster inmiddels een transitievergoeding heeft aangeboden om elders werk te zoeken. 

De raad is van oordeel dat het verweerster vrij stond om onderzoek te doen naar de authenticiteit van de door klaagster overgelegde brief, gezien de twijfel bij haar cliënt over de authenticiteit daarvan. Dat was immers in het belang van verweersters cliënt en paste bij haar rol van partijdig belangenbehartiger. 

De raad is verder van oordeel dat het verweerster ook vrij stond om dat op deze wijze te doen, gelet op een zekere tijdsdruk vanwege de naderende zitting. Verweerster heeft geprobeerd een direct e-mailadres van de financieel directeur te vinden. Toen zij dat online niet kon vinden, heeft zij haar e-mail gestuurd aan het in de brief vermelde (algemene) e-mailadres en daarbij duidelijk in het onderwerp van de e-mail vermeld dat haar bericht gericht was aan de financieel directeur. De raad is van oordeel dat het beter was geweest als verweerster ook nog telefonisch had geprobeerd om een direct e-mailadres te achterhalen, maar dat er geen sprake is van onzorgvuldig handelen in de zin dat het tuchtrechtelijk verwijtbaar is. De raad concludeert dat verweerster klaagsters belangen niet onnodig of onevenredig heeft geschonden zonder redelijk doel. De klacht is daarom ongegrond. 

Samenvattingen (bron: tuchtcolleges) 

1. Wat een behoorlijk advocaat betaamt

2. Eigen advocaat

3. Advocaat wederpartij