Naar boven ↑

Update

Nummer 19, 2026
Uitspraken van tot

Onder het kopje ‘Selectie uitspraken door de NOvA’ wordt toegelicht waarom de uitspraken zijn geselecteerd. Door te klikken op het ECLI-nummer wordt u doorgeleid naar de database NOvA Tuchtrecht Updates.  

Onder het kopje ‘Samenvattingen’ vindt u de samenvattingen die door de tuchtcolleges ten behoeve van de publicatie zijn gemaakt. Deze samenvattingen zijn ook te vinden in de database NOvA Tuchtrecht Updates.  

Selectie uitspraken door de NOvA  

ECLI:NL:TAHVD:2025:273: Voorwaardelijke schorsing wegens ontoelaatbare druk op voormalige cliënt bij incasso van advocatendeclaraties 
Deze zaak betreft een klacht tegen een (voormalig) kantoorgenoot van de (voormalige) eigen advocaat van klagers. Verweerder is betrokken geraakt bij de incasso van aanzienlijke openstaande declaraties van een voormalige cliënt van zijn kantoor. De declaraties hadden betrekking op een langlopende fiscaal-strafrechtelijke kwestie waarin een voormalig kantoorgenoot van verweerder de cliënt jarenlang had bijgestaan. Nadat betalingen uitbleven, eiste verweerder aanvullende zekerheden, dreigde hij met beëindiging van de bijstand en nam hij verschillende incasso- en executiemaatregelen.   

De klacht houdt inhoudelijk in dat verweerder na overname van het dossier van de toenmalige kantoorgenoot meteen de confrontatie koos en niet het belang van klagers, maar het kantoorbelang vooropstelde. Daarnaast dat verweerder intimiderende en schadelijke rechtsmaatregelen trof en zonder overleg met de deken een civiele procedure startte en daardoor intimiderend en schadelijk handelde richting klagers. Tot slot had verweerder zonder overleg met de deken het faillissement van klaagster aangevraagd. De raad achtte alle klachtonderdelen gegrond. 

Het hof stelt voorop dat een advocaat een grote mate van vrijheid heeft om de belangen van zijn kantoor te behartigen. Die vrijheid vindt echter haar grens wanneer de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig worden geschaad zonder redelijk doel. Van een advocaat die optreedt tegen een cliënt die eerder door zijn eigen kantoor werd bijgestaan, mag bovendien extra zorgvuldigheid worden verwacht.  

Volgens het hof heeft verweerder die zorgvuldigheid onvoldoende betracht. Kort nadat hij de debiteurenbewaking had overgenomen, heeft hij direct druk uitgeoefend op klagers om achterstallige declaraties te voldoen en aanvullende zekerheid te verstrekken. Daarbij heeft hij gedreigd om lopende rechtsbijstand te beëindigen als niet werd betaald, terwijl nog een belangrijke zaak voor klagers liep. Het hof oordeelt dat verweerder hierbij uitsluitend het financiële belang van zijn kantoor voorop heeft gesteld en onvoldoende rekening heeft gehouden met de langdurige relatie tussen klagers en het kantoor, het reeds betaalde honorarium en de belangen van klagers in de nog lopende procedures.  

Daarnaast heeft verweerder volgens het hof ten onrechte zware incassomaatregelen ingezet, waaronder conservatoire beslagen en een civiele procedure tegen klager en diens echtgenote. Het hof acht onvoldoende aannemelijk dat sprake was van een zodanig dringend belang dat deze maatregelen noodzakelijk waren. Daarbij weegt mee dat verweerder geen gehoor heeft gegeven aan de oproepen van de deken om terughoudendheid te betrachten en eerst te zoeken naar een oplossing.  

Ook het aanvragen van het faillissement van klaagster acht het hof tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verweerder heeft dit gedaan zonder het vereiste overleg met de deken en zonder de bijzondere behoedzaamheid die van een advocaat mag worden verwacht bij het inzetten van een zo ingrijpend middel als een faillissementsaanvraag. Daarmee heeft hij gehandeld in strijd met gedragsregel 17 lid 6. 

Het hof onderschrijft het oordeel van de raad dat verweerder door zijn handelwijze de belangen van klagers onnodig heeft geschaad en heeft gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. Ook acht het hof sprake van strijd met de kernwaarde (financiële) integriteit. Alle klachtonderdelen worden gegrond verklaard. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad en handhaaft de maatregel van een voorwaardelijke schorsing van zes weken, met een proeftijd van twee jaar.  

ECLI:NL:TADRAMS:2025:236: Klacht over executoriaal beslag door advocaten van de wederpartij ongegrond 
Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaten van de wederpartij. Klaagster verwijt verweerders dat zij zonder voorafgaande waarschuwing executoriaal derdenbeslag hebben laten leggen voor een proceskostenveroordeling en daarmee onnodige kosten hebben veroorzaakt. Daarnaast zouden verweerders disproportioneel hebben gehandeld doordat beslag werd gelegd op een handelsvoorraad die een aanzienlijk hogere waarde vertegenwoordigde dan de openstaande proceskosten.  

De raad stelt voorop dat een advocaat een ruime mate van vrijheid heeft bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt. Op grond van gedragsregel 6 lid 2 dient een advocaat een wederpartij in beginsel wel vooraf te informeren voordat executiemaatregelen worden genomen, tenzij een bijzonder belang van de cliënt zich daartegen verzet. Vaststaat dat verweerders geen voorafgaande kennisgeving hebben gedaan voordat het executoriale derdenbeslag werd gelegd.  

De raad oordeelt echter dat in dit geval sprake was van een uitzonderlijke situatie die deze handelwijze rechtvaardigde. Verweerders mochten rekening houden met het risico van verhaalfrustratie. Klaagster was gevestigd in Australië, had geen vestiging in Nederland en beschikte in Nederland slechts over een handelsvoorraad die eenvoudig aan verhaal had kunnen worden onttrokken. Daarnaast had klaagster, ondanks een verzoek tot opheffing van eerdere gelegde beslagen, geen bereidheid getoond de verschuldigde proceskosten vrijwillig te voldoen. Onder die omstandigheden mochten verweerders het belang van hun cliënten bij het veiligstellen van verhaal zwaarder laten wegen dan het belang van klaagster om vooraf te worden gewaarschuwd.  

Ook het verwijt dat het beslag disproportioneel was, slaagt niet. De raad neemt daarbij in aanmerking dat het beslag slechts korte tijd heeft geduurd. Tussen de beslaglegging, de betaling van de proceskosten door klaagster en de opheffing van het beslag verstreken slechts 18 uur en 21 minuten. Bovendien is niet gebleken dat klaagster als gevolg van het beslag daadwerkelijk schade heeft geleden. Dat mogelijk beslag is gelegd op goederen met een hogere waarde dan de openstaande vordering maakt het beslag onder deze omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard.  

ECLI:NL:TAHVD:2025:274: Waarschuwing wegens weigering woning van wederpartij te verlaten tijdens slepende familiezaak 
Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij in een langlopende erfrechtelijke verdelingsprocedure. Verweerder stond de moeder van klagers bij in een geschil over de afwikkeling van de nalatenschap van hun vader. In het kader van die procedure bezocht verweerder samen met zijn cliënte en haar partner een woning die mede aan de moeder en de zoon toebehoorde, maar waarin alleen de zoon woonde. Toen klagers en hun advocaat verweerder verzochten de woning te verlaten, weigerde verweerder dat aanvankelijk.  

De raad oordeelde dat het verweerder op zichzelf vrijstond de woning te betreden. De moeder was immers mede-eigenaar van de woning en mocht verweerder uitnodigen om mee naar binnen te gaan. Anders lag dat volgens de raad toen de situatie escaleerde en zowel klagers als hun advocaat uitdrukkelijk verweerder en cliënte verzochten om de woning te verlaten. Gelet op de ernstig verstoorde familieverhoudingen, eerdere confrontaties tussen partijen en het feit dat alleen klager feitelijk in de woning woonde, had verweerder op dat moment moeten vertrekken.  

In hoger beroep voerde verweerder aan dat hij in de woning was gebleven om zijn cliënte te beschermen, omdat hij vreesde voor mogelijk geweld door klagers. Het hof volgt dit standpunt niet. Volgens het hof heeft verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn aanwezigheid noodzakelijk was voor de veiligheid van zijn cliënte. Uit de stukken blijkt juist dat zijn cliënte hem had uitgenodigd omdat zij hem de woning wilde laten zien. Een andere, voor de zaak relevante reden voor zijn aanwezigheid ontbrak.  

Het hof benadrukt dat sprake was van een jarenlang spelende familieruzie met hoogoplopende emoties. Tegen die achtergrond was een onaangekondigd bezoek aan de woning van de wederpartij, vlak voor een geplande zitting, volgens het hof een zinloze provocatie. Dat de moeder als mede-eigenaar gerechtigd was de woning te betreden, maakt dit niet anders. Door ondanks herhaalde verzoeken van klagers en hun advocaat niet direct te vertrekken, heeft verweerder de belangen van de wederpartij onnodig geschaad.  

Het hof onderschrijft het oordeel van de raad dat verweerder daarmee heeft gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. De klacht blijft gegrond en de door de raad opgelegde maatregel van waarschuwing wordt passend geacht.  

ECLI:NL:TADRARL:2026:4: Berisping wegens onvolledige en onjuiste informatievoorziening in kortgedingdagvaarding  
Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij in een geschil tussen voormalige partners over de afwikkeling van hun relatie, de zorgregeling voor hun kinderen en de verdeling van de gezamenlijke woning. Klager verwijt verweerster onder meer dat zij een onnodig tweede kort geding heeft gestart, essentiële informatie heeft achtergehouden en feitelijke onjuistheden aan de voorzieningenrechter heeft gepresenteerd.  

De raad stelt vast dat partijen al in april 2023 een schriftelijke overeenkomst hadden gesloten over de toedeling van de gezamenlijke woning aan klager. Deze overeenkomst was ondertekend en vormde bovendien de basis voor de toewijzing van een sociale huurwoning aan de ex-partner. Desondanks heeft verweerster in het in november 204 aangespannen kort geding deze overeenkomst niet genoemd en ook niet overgelegd. Daarnaast heeft zij een vermeend addendum bij de huurovereenkomst, waaruit het spoedeisende belang zou moeten blijken, evenmin in het geding gebracht.  

Verder blijkt uit het kortgedingvonnis dat in de dagvaarding ten onrechte was vermeld dat klager niet had gereageerd op een e-mail van augustus 2024, terwijl daarvan wel sprake was. Ook was niet vermeld dat kort vóór de procedure nog tussen partijen was gecorrespondeerd. De voorzieningenrechter heeft hierover expliciet overwogen dat niet was voldaan aan de verplichtingen om de feiten volledig en naar waarheid aan de rechter voor te leggen.  

De raad acht het bovendien ongeloofwaardig dat verweerster niet van de overeenkomst uit april 2023 op de hoogte zou zijn geweest. Uit het dossier blijkt dat zij al eerder door klager en diens advocaat op deze overeenkomst was gewezen en er zelf eerder naar had verwezen in correspondentie. Dat verweerster ter zitting verklaarde dat er sprake was van een vergissing omdat zij zich te veel had laten leiden door de belangen van haar cliënt, overtuigt de raad niet. 

Naar het oordeel van de raad heeft verweerster de voorzieningenrechter onvolledig en gedeeltelijk onjuist geïnformeerd en heeft zij ook in de tuchtprocedure onvoldoende openheid van zaken gegeven. Door essentiële stukken buiten beschouwing te laten en feitelijke onjuistheden te presenteren, heeft zij gehandeld in strijd met hetgeen van een behoorlijk advocaat mag worden verwacht. De raad overweegt bovendien dat het tweede kort geding onder deze omstandigheden onnodig was, omdat het door het ontbreken van de relevante informatie feitelijk gedoemd was te mislukken. 

De raad verklaart de klachtonderdelen over het onnodige kort geding, het achterhouden van essentiële informatie en het verstrekken van onjuiste informatie gegrond. Vanwege de ernst van de gedragingen en het feit dat verweerster zowel de voorzieningenrechter als de raad onjuist heeft geïnformeerd, legt de raad de maatregel van een berisping op.  

Samenvattingen (bron: tuchtcolleges) 

1. Wat een behoorlijk advocaat betaamt

3. Advocaat wederpartij