Naar boven ↑

Update

Nummer 17, 2026
Uitspraken van tot

Onder het kopje ‘Selectie uitspraken door de NOvA’ wordt toegelicht waarom de uitspraken zijn geselecteerd. Door te klikken op het ECLI-nummer wordt u doorgeleid naar de database NOvA Tuchtrecht Updates.  

Onder het kopje ‘Samenvattingen’ vindt u de samenvattingen die door de tuchtcolleges ten behoeve van de publicatie zijn gemaakt. Deze samenvattingen zijn ook te vinden in de database NOvA Tuchtrecht Updates.  

Selectie uitspraken door de NOvA 

ECLI:NL:TADRAMS:2025:225: Advocaat mocht procedure blijven voeren na benoeming tot raadsheer-plaatsvervanger
Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. Klager verwijt verweerster dat zij is blijven optreden als advocaat nadat zij was benoemd tot raadsheer-plaatsvervanger bij hetzelfde gerechtshof waar de zaak diende. Volgens klager ontstond hierdoor twijfel over de onpartijdigheid van de rechtspraak. Klager verwijt verweerster ook dat de onpartijdigheid van de behandeling in gevaar zou zijn gekomen omdat zowel verweerster als een raadsheer verbonden was aan dezelfde opleiding. Daarnaast verwijt hij verweerster dat zij zonder kennisgeving aan de wederpartij contact zou hebben gehad met het gerechtsbestuur over de zaak.

De raad stelt vast dat verweerster al vóór haar benoeming tot raadsheer-plaatsvervanger betrokken was bij de procedure namens haar cliënte. Nadat duidelijk werd dat de zaak bij het gerechtshof zou worden aangebracht, heeft zij dit gemeld aan de president van het hof. Vervolgens is afgesproken dat zij gedurende de looptijd van de procedure niet als raadsheer-plaatsvervanger zou worden ingezet. Deze afspraak werd bovendien openbaar gemaakt in het register van nevenfuncties. Hoewel de raad opmerkt dat het zorgvuldiger zou zijn geweest als verweerster klager over haar benoeming had geïnformeerd, levert het nalaten daarvan geen tuchtrechtelijk verwijt op.

Van belang is dat verweerster gedurende de gehele procedure uitsluitend als advocaat heeft opgetreden en nooit als raadsheer-plaatsvervanger in de zaak betrokken is geweest. Dat het hof later oordeelde dat de procedure toch moest worden verwezen naar een ander gerechtshof omdat de raadsheer-plaatsvervanger als advocaat van een partij betrokken was, betekent volgens de raad niet dat verweerster de eerdere situatie had moeten voorzien of dat haar daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Zij mocht vertrouwen op de met de president gemaakte “niet-inzet”-afspraak en de waarborgen die daarbij waren getroffen.

Ook het verwijt dat de onpartijdigheid van de behandeling in gevaar zou zijn gekomen omdat zowel verweerster als een van de raadsheren docent was bij de Grotius-opleiding, slaagt niet. De enkele omstandigheid dat beiden verbonden zijn aan dezelfde opleiding, zonder verdere bijzondere omstandigheden, is onvoldoende om twijfel aan de onpartijdigheid te rechtvaardigen.

Ten aanzien van de contacten met het gerechtsbestuur overweegt de raad dat niet is gebleken dat verweerster inhoudelijk met raadsheren of de president over de zaak heeft gesproken. De communicatie zag uitsluitend op haar positie als advocaat in een bij het hof aanhangige zaak en haar benoeming tot raadsheer-plaatsvervanger. De inhoud van het geschil speelde daarbij geen rol. Daarmee is geen sprake van verboden contact met de rechter of schending van de gedragsregels over onafhankelijkheid, onpartijdigheid of informatieverstrekking aan de wederpartij.

De raad concludeert dat verweerster binnen de grenzen van een behoorlijk advocaat heeft gehandeld en alle klachtonderdelen worden ongegrond verklaard.

ECLI:NL:TADRARL:2025:259: Waarschuwing wegens onvoldoende informatie over financiële afwikkeling van schuldsanering
Deze zaak betreft een klacht tegen de eigen advocaat over diens bijstand bij de sanering van de schulden van klagers en het voorkomen van hun faillissement. Klagers verwijten verweerder dat hij voor meerdere betrokken partijen heeft opgetreden, zijn facturen zonder hun toestemming met gelden op de derdenrekening heeft verrekend en onvoldoende verantwoording heeft afgelegd over de besteding van de beschikbare gelden en de verdeling van de advocaatkosten.

De raad stelt vast dat verweerder de belangen van meerdere partijen behartigde, maar dat hij alle betrokkenen daarover vooraf uitdrukkelijk heeft geïnformeerd. Verweerder heeft daarbij duidelijk gemaakt dat hij alleen voor hen gezamenlijk kon optreden zolang hun belangen niet uiteenliepen en dat hij zich bij een belangenconflict zou terugtrekken. Volgens de raad liepen de belangen van de betrokken partijen gedurende het traject parallel: klagers wilden hun schulden saneren en een faillissement voorkomen, de schuldeisers wilden betaling ontvangen en de koper wilde de werf overnemen. Op dit punt heeft verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

Wel oordeelt de raad dat verweerder tekort is geschoten in zijn informatievoorziening aan klagers. Door niet-eenduidige afspraken, fragmentarische communicatie en het gebruik van de term ‘de pot’ is bij klagers onduidelijkheid ontstaan over de beschikbare gelden, de geldstromen en de vraag wie de advocaatkosten zou dragen. Ook de opdrachtbevestiging bood hierover onvoldoende duidelijkheid. Juist vanwege de complexiteit van het saneringstraject en de grote financiële belangen had verweerder zich ervan moeten vergewissen dat klagers de gemaakte afspraken, de verschillende stappen en de financiële gevolgen daarvan volledig begrepen. Uit de correspondentie bleek volgens de raad duidelijk dat verweerder en klagers hierover niet hetzelfde beeld hadden.

Volgens de raad is daarentegen niet gebleken dat verweerder ongeoorloofd heeft gehandeld met de derdengelden of dat er sprake was van ondoorzichtige geldstromen. Verweerder heeft klagers na hun verzoek een volledig financieel overzicht en de bijbehorende facturen verstrekt. Deze onderdelen van de klacht worden daarom ongegrond verklaard.

De raad verklaart uitsluitend het klachtonderdeel over de gebrekkige informatievoorziening gegrond. Bij de maatregel houdt de raad rekening met het blanco tuchtrechtelijke verleden van verweerder en met het feit dat zijn werkzaamheden uiteindelijk hebben geleid tot een akkoord met de schuldeisers en het voorkomen van een faillissement. De raad legt verweerder daarom de maatregel van een waarschuwing op.

ECLI:NL:TADRAMS:2025:228: Waarschuwing wegens verrekening van derdengelden zonder schriftelijke instemming en onvoldoende vastlegging opdracht
Deze zaak betreft een klacht tegen de eigen advocaat over diens dienstverlening in verschillende dossiers. Klaagster verwijt verweerder dat hij haar langdurig heeft gestalkt en geïntimideerd, zonder haar toestemming bedragen van de derdengeldenrekening naar zijn kantoorrekening heeft overgemaakt, haar dossier niet heeft verstrekt en zonder haar instemming persoonsgegevens aan een kantoorgenoot heeft doorgegeven voor het aanvragen van een toevoeging en het instellen van beroep in een PGB-zaak.

De raad oordeelt dat van stalking of intimidatie geen sprake is. Klaagster was uitsluitend telefonisch en per sms bereikbaar. Uit de correspondentie blijkt dat verweerder contact zocht vanwege lopende termijnen en andere belangrijke ontwikkelingen, waaronder de vraag of beroep moest worden ingesteld in de PGB-zaak. Ook nadat klaagster hem had verzocht niet meer te bellen of te berichten, stond het contact volgens de raad in het teken van haar belangen. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.

Wel acht de raad het tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerder zijn declaraties heeft verrekend met het voor klaagster bestemde schikkingsgeld op zijn derdengeldenrekening. Voor een dergelijke verrekening is op grond van artikel 6.19 lid 4 van de Verordening op de advocatuur de expliciete en schriftelijke vastgelegde instemming van de cliënt vereist. Verweerder heeft erkend dat hij de volgens hem gemaakte afspraak niet schriftelijk heeft bevestigd. Omdat klaagster betwist dat zij toestemming heeft gegeven en een schriftelijke vastlegging ontbreekt, heeft verweerder in strijd met de regels voor derdengelden gehandeld. Dit klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.

De raad kan niet vaststellen dat verweerder heeft geweigerd het dossier aan klaagster te verstrekken. Uit de stukken blijkt dat verweerder dossiers en facturen heeft verzonden of voor klaagster op kantoor beschikbaar heeft gesteld. Klaagster heeft bovendien onvoldoende duidelijk gemaakt welke stukken nog zouden ontbreken. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.

Ook de klacht over het instellen van beroep in de PGB-zaak is gegrond. Verweerder heeft aangevoerd dat klaagster met het beroep en de inschakeling van zijn kantoorgenoot had ingestemd, maar heeft dit niet schriftelijk vastgelegd. Uit het dossier blijkt evenmin dat hij de mogelijkheid van beroep, de daaraan verbonden risico’s en de aanvraag van een toevoeging voldoende met klaagster heeft besproken. De onduidelijkheid die hierdoor is ontstaan, komt voor rekening van verweerder.

De raad verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond. Verweerder heeft derdengelden zonder schriftelijke vastgelegde toestemming verrekend met zijn declaraties en heeft de afspraken over het beroep in de PGB-zaak onvoldoende schriftelijk vastgelegd. Gelet op de aard van deze verwijten en het blanco tuchtrechtelijke verleden van verweerder legt de raad de maatregel van een waarschuwing op.

ECLI:NL:TADRSGR:2025:263: Berisping wegens onvoldoende advisering en ondermaatse processtukken in echtscheidingszaak
Deze zaak betreft een klacht tegen de eigen advocaat over haar bijstand in een echtscheidingszaak. Klaagster verwijt verweerster dat zij haar onvoldoende heeft geïnformeerd en geadviseerd, inadequaat heeft gehandeld en ondermaatse processtukken heeft opgesteld. Volgens klaagster is zij op advies van verweerster met de kinderen uit de echtelijke woning vertrokken, zonder voldoende te zijn gewezen op de mogelijke gevolgen daarvan. Uiteindelijk is het uitsluitend gebruik van de woning aan de man toegewezen.

De raad stelt vast dat verweerster onvoldoende heeft aangetoond dat zij klaagster op belangrijke momenten zorgvuldig heeft geïnformeerd over haar rechtspositie, de gekozen strategie en de daaraan verbonden risico’s. De enkele stelling dat er veelvuldig contact is geweest, is daarvoor onvoldoende. Verweerster had haar advisering schriftelijk moeten vastleggen en zich ervan moeten vergewissen dat klaagster de gevolgen van haar keuzes begreep. Dit geldt in het bijzonder voor het vertrek uit de echtelijke woning en voor de advisering na het voor klaagster nadelige kortgedingvonnis. Het ontbreken van voldoende stukken hierover komt voor rekening van verweerster.

Ook oordeelt de raad dat de door verweerster opgestelde processtukken niet aan de professionele standaard voldoen. In het echtscheidingsverzoek en het verzoek om voorlopige voorzieningen is te weinig informatie opgenomen over het gestelde huiselijk geweld en de reden waarom klaagster de woning met de kinderen had verlaten. Deze stellingen waren bovendien onvoldoende met producties onderbouwd. Pas kort voor de zitting in kort geding heeft verweerster aanvullende stukken overgelegd. Ook het verzoek om klaagster het uitsluitend gebruik van de woning toe te wijzen was volgens de raad te summier onderbouwd.

Niet kan worden vastgesteld dat verweerster termijnen heeft gemist. Evenmin is het tuchtrechtelijk verwijtbaar dat zij de kortgedingzitting door een kantoorgenoot heeft laten behandelen, omdat de rechtbank bij de planning kennelijk geen rekening had gehouden met haar verhinderdata. Dat de bijstand van deze kantoorgenoot onvoldoende was, is niet gebleken. Deze onderdelen van de klacht worden daarom ongegrond verklaard. Het verzoek om een schadevergoeding wordt afgewezen, omdat dit niet is geconcretiseerd.

De raad concludeert dat verweerster op meerdere momenten onzorgvuldig heeft gehandeld en is tekortgeschoten in haar advisering en procesvoering. Daarmee heeft ze de kernwaarde deskundigheid geschonden. De klacht wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en de raad legt verweerster een berisping op.

Samenvattingen (bron: tuchtcolleges)

1. Wat een behoorlijk advocaat betaamt

2. Eigen advocaat