Naar boven ↑

Update

Nummer 13, 2026
Uitspraken van tot

Onder het kopje ‘Selectie uitspraken door de NOvA’ wordt toegelicht waarom de uitspraken zijn geselecteerd. Door te klikken op het ECLI-nummer wordt u doorgeleid naar de database NOvA Tuchtrecht Updates.  

Onder het kopje ‘Samenvattingen’ vindt u de samenvattingen die door de tuchtcolleges ten behoeve van de publicatie zijn gemaakt. Deze samenvattingen zijn ook te vinden in de database NOvA Tuchtrecht Updates.  

Selectie uitspraken door de NOvA  

ECLI:NL:TAHVD:2025:200: Waarschuwing wegens onvoldoende communicatie over mediation en hoger beroep 
Deze zaak betreft een klacht tegen de eigen advocaat in een strafzaak. Klager verwijt verweerder dat hij niets heeft gedaan met zijn wens tot mediation en dat hij geen hoger beroep heeft ingesteld, terwijl hij dat wel wilde. De raad verklaarde deze klachtonderdelen gegrond en legde een waarschuwing op. Verweerder is in hoger beroep gekomen. 

Ten aanzien van de mediation stelt het hof vast dat verweerder in de opdrachtbevestiging heeft aangegeven de mogelijkheid van een gesprek met de aangeefster te zullen onderzoeken. Verweerder heeft erkend dat hij klager vervolgens niet heeft geïnformeerd over het feit dat het Openbaar Ministerie een dergelijk gesprek niet mogelijk achtte. De raad en het hof oordelen dat verweerder klager hierover had moeten informeren en ook meer inspanningen had moeten leveren om mediation te realiseren. Verweerder heeft onvoldoende met klager hierover gecommuniceerd.  

Met betrekking tot het hoger beroep oordeelt het hof, evenals de raad, dat op een strafrechtadvocaat de verplichting rust om na de uitspraak de beroepstermijn te bewaken en met zijn cliënt te bespreken of hoger beroep moet worden ingesteld. In deze zaak staat vast dat geen hoger beroep is ingesteld en dat tussen klager en verweerder onduidelijkheid is blijven bestaan over de gemaakte afspraken, ook met betrekking tot de mediation. Verweerder had dit misverstand kunnen en moeten voorkomen door het standpunt over het al dan niet instellen van hoger beroep tijdig en schriftelijk aan klager te bevestigen evenals andere afspraken. Door dit niet te doen is hij tekortgeschoten in zijn informatievoorziening.  

Het hof onderschrijft daarmee het oordeel van de raad dat verweerder op beide punten heeft gehandeld in strijd met zijn zorgplicht en met de verplichting tot adequate communicatie met zijn cliënt. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de door de raad opgelegde maatregel van een waarschuwing. 

ECLI:NL:TADRAMS:2025:194: Gedragsregel 15 niet van toepassing, omdat er geen sprake is geweest van een cliëntrelatie 
Deze zaak betreft een klacht van klager tegen twee advocaten over hun optreden voor een pensioenfonds in een procedure tegen klager, terwijl een van de advocaten eerder betrokken is geweest bij het (pensioen)dossier van klager. Klager stelt dat er sprake is van belangenverstrengeling en verwijt verweerders dat zij in strijd met gedragsregel 15 voor het pensioenfonds hebben opgetreden in de procedure tegen klager over zijn pensioen. 

Vast staat dat verweerder 2 in 2020, op verzoek van de rechtsbijstandsverzekeraar van klager, een advies heeft uitgebracht over één specifieke rechtsvraag in het (pensioen)dossier van klager en het dossier vervolgens heeft gesloten. Klager heeft een aantal maanden later aan verweerder 2 een e-mail met documenten gestuurd, waarop verweerder 2 klager heeft verwezen naar zijn rechtsbijstandsverzekeraar. In 2021 heeft klager opnieuw contact opgenomen met verweerder 2 en hem verzocht het dossier te heropenen. In antwoord hierop heeft verweerder 2 aangegeven hieraan niet te kunnen meewerken, gelet op de eerdere afronding van de specifieke opdracht van de rechtsbijstandsverzekeraar. Tussen klager en verweerder 2 is daarna geen contact meer geweest. Verweerder 2 is in 2022 van kantoor gewisseld en heeft, gedurende de periode waarin hij werkzaam was op hetzelfde kantoor als verweerder 1, op verzoek van verweerder 1 een pro-formadagvaarding opgesteld in een procedure waarin verweerder 1 het pensioenfonds bijstond tegen klager. 

De raad stelt voorop dat gedragsregel 15 bepaalt dat een advocaat in het algemeen niet mag optreden tegen een (voormalig) cliënt van hem of van een kantoorgenoot, omdat dit kan leiden tot belangenverstrengeling. Hiervoor is echter vereist dat op enig moment een advocaat-cliëntrelatie heeft bestaan. Naar het oordeel van de raad is daar in dit geval niet van gebleken. Verweerder 2 heeft gehandeld in opdracht van de rechtsbijstandsverzekeraar, zodat tussen hem en klager geen cliëntrelatie tot stand is gekomen. Gedragsregel 15 biedt in deze situatie geen bescherming. Van belangenverstrengeling is dan ook geen sprake. De raad weegt daarbij mee dat verweerder 1 het pensioenfonds al jarenlang bijstaat en dat de procedure waarin hij optrad een andere zaak betreft dan de specifieke adviesvraag waarover verweerder 2 zich heeft uitgelaten. Ook is verder niet gebleken dat er op enig moment vertrouwelijke informatie tussen verweerders is uitgewisseld of dat zij hun geheimhoudingsplicht hebben geschonden. De raad verklaart de klachten daarom ongegrond. 

ECLI:NL:TADRSGR:2025:211: Waarschuwing wegens optreden tegen voormalig cliënt in echtscheidingsprocedure 
Deze zaak betreft een klacht van klager tegen zijn voormalige advocaat over een belangenconflict. Klager verwijt verweerder dat hij eerst klager en zijn ex-echtgenote gezamenlijk heeft bijgestaan in het kader van een voorgenomen echtscheiding en daarna is opgetreden voor de ex-echtgenote in de echtscheidingsprocedure tegen klager. 

De raad stelt vast dat er op grond van de opdrachtbevestiging van 29 november 2021 sprake is geweest van een advocaat-cliëntrelatie tussen klager en verweerder. Verweerder heeft klager en de ex-echtgenote aanvankelijk gezamenlijk bijgestaan bij een beoogd gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding. Vervolgens heeft verweerder de ex-echtgenote bijgestaan in de echtscheidingsprocedure tegen klager, waarbij dezelfde zaak en samenhangende kwesties (onder meer partner- en kinderalimentatie en zorgregeling) aan de orde waren. 

De raad stelt voorop dat een advocaat, gelet op zijn gebondenheid aan met name de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid, in het algemeen niet mag optreden tegen een (voormalig) cliënt van hem of van een kantoorgenoot. Deze norm is uitgewerkt in gedragsregel 15.  

Naar het oordeel van de raad heeft verweerder in strijd met de hoofdregel van gedragsregel 15 gehandeld. Niet is voldaan aan de voorwaarden genoemd in het derde lid van gedragsregel 15 waaronder een advocaat wel tegen een voormalig cliënt mag optreden, nu de aan verweerder toevertrouwde belangen dezelfde zaak betreffen en daarmee verband houden. Door toch voor de ex-echtgenote tegen klager op te treden, heeft verweerder een belangenconflict gecreëerd en tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dit klachtonderdeel wordt daarom door de raad gegrond verklaard. Het klachtonderdeel waarin verweerder wordt verweten dat hij zich uit de bemiddeling zou hebben teruggetrokken om zijn kosten te maximaliseren, is niet komen vast te staan en wordt ongegrond verklaard. 

De raad ziet aanleiding in dit geval te volstaan met oplegging van een waarschuwing aan verweerder, gelet op de omstandigheden dat verweerder heeft erkend onzorgvuldig te hebben gehandeld, zijn werkwijze inmiddels heeft aangepast en niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld. 

ECLI:NL:TADRSGR:2025:204: Waarschuwing wegens onvoldoende financiële voorlichting 
Deze zaak betreft een klacht tegen de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening en met name de financiële afhandeling van een civiele procedure. Klaagster verwijt verweerster onder meer dat zij onjuist heeft geadviseerd over de aanpak van de zaak, een kansloze beslaglegging is gestart en veel meer kosten in rekening heeft gebracht dan vooraf besproken en zonder tijdige waarschuwing voor overschrijding van de kosten.  

De raad stelt vast dat niet kan worden vastgesteld dat verweerster inhoudelijk ondeugdelijk heeft gehandeld. Dat de kortgedingprocedure en het bewijsbeslag uiteindelijk niet succesvol waren, betekent niet zonder meer dat er sprake is van onjuiste advisering of beroepsfouten. Uit het dossier blijkt dat klaagster aanvankelijk zelf ook aandrong op procederen nadat onderhandelingen met de wederpartij waren mislukt. Ook is niet gebleken dat verweerster de waarheidsplicht heeft geschonden of onvoldoende actie heeft ondernomen. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.  

Ten aanzien van de financiële afspraken oordeelt de raad anders. Verweerster heeft bij aanvang weliswaar globale kosteninschattingen gegeven voor een kort geding en een bodemprocedure, maar heeft klaagster vervolgens onvoldoende geïnformeerd toen de kosten deze inschattingen ruim overschreden. Al in een vroeg stadium waren aanzienlijke bedragen gedeclareerd, zonder dat klaagster tijdig werd gewaarschuwd of dat inzicht werd gegeven in de te verwachten verdere kosten. Dit geldt in het bijzonder voor het bewijsbeslag, waarbij klaagster pas laat werd geconfronteerd met hoge kosten voor onder meer de deurwaarder en een IT-specialist, zonder dat vooraf een duidelijke inschatting was gegeven.  

Daarnaast heeft verweerster klaagster onjuist geïnformeerd over het griffierecht. Waar aanvankelijk werd aangegeven dat € 676 verschuldigd zou zijn, bleek dit later aanzienlijk hoger. Verweerster had klaagster hierover correct en tijdig moeten informeren. Door dit na te laten, is klaagster onvoldoende in staat gesteld een weloverwogen keuze te maken over het al dan niet voortzetten van de procedure.  

Tot slot is klaagster ontevreden over de afhandeling van haar klacht en de afhandeling van haar dossier. Tussen klaagster en verweerster was namelijk een verschil van mening ontstaan en verweerster kon op dat moment concluderen dat het vereiste vertrouwen niet langer aanwezig was, waardoor zij haar werkzaamheden kon beëindigen op grond van gedragsregel 14 lid 2. Daarnaast is ook niet gebleken dat verweerster klaagster heeft genegeerd bij de afhandeling van haar klacht.  

De raad verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond, namelijk voor zover deze ziet op de gebrekkige financiële voorlichting. Gelet op de aard en ernst van dit verwijt, waarbij klaagster werd geconfronteerd met onverwacht hoge kosten, acht de raad de maatregel van waarschuwing passend.

Samenvattingen (bron: tuchtcolleges) 

2. Eigen advocaat